Te weinig oog voor psychische klachten bij de zorgverlening

Klaagster verwijt de huisarts dat zij, ondanks de complexe medische, psychische en sociale problematiek van de patiënt, geen passende specialistische zorg heeft ingeschakeld.
Uit het medisch dossier blijkt dat meerdere instanties (al langer) betrokken waren bij de behandeling van de patiënt. De betreffende hulpverlening zag voornamelijk op de fysieke en praktische problematiek, waar de patiënt als gevolg van zijn NAH en spasticiteit mee te maken had. Wel zijn er een paar gesprekken geweest met de POH-GGZ. Suïcidale gedachten van de patiënt, gemeld door diens begeleider, zijn door de huisarts niet met zoveel woorden aan de orde gesteld of later opgevolgd. Ook niet toen de patiënt dit later zelf aan de orde stelde en de begeleider dit een aantal maanden later weer meldde. De huisarts heeft ook de maanden erna, toen de patiënt somberder werd nadat zijn heupprothese verwijderd moest worden niets gedaan met de psychische klachten. Dit heeft nog een aantal maanden geduurd, voor er werd gedacht aan andere verwijzingen. De commissie ziet dat er vooral aandacht was voor de lichamelijke zorg. Daarvoor stond de huisarts ook steeds klaar voor de patiënt. De commissie is van oordeel dat te weinig aandacht was voor de regelmatig terugkerende gedachten aan suïcide, de somberheid die toenam naarmate het fysiek slechter met de patiënt ging en dat de patiënt nauwelijks meer at en fors was afgevallen. Naar het oordeel van de commissie had het op de weg van verweerster als regiebehandelaar gelegen om de zorgen van andere hulpverleners serieus te nemen en daarmee al in 2023 iets te doen. De klacht is gegrond.

Klaagster klaagt daarnaast over de communicatie van verweerster met de familie van de patiënt na zijn overlijden. Verweerster heeft hem een lastige patiënt genoemd. Het is voor de commissie invoelbaar dat zij daarmee bedoeld heeft te zeggen dat sprake was van een medisch bijzonder gecompliceerde situatie met meervoudige problematiek. Anderzijds was deze opmerking, zo kort na het overlijden van de patiënt, ongelukkig en is het eveneens invoelbaar dat dit bij de familie verkeerd is gevallen. Verweerster heeft dat onderkend en daarvoor haar verontschuldigingen aangeboden. Deze opmerking is naar het oordeel van de commissie onvoldoende om de klacht over de communicatie gegrond te verklaren.

Datum uitspraak: 11-03-2026
Datum publicatie: 22-04-2026
Referentie: 20250099
Categorieën: Verwijzing | Onderzoek/Behandeling | Regie/coördinatie van de zorg

20240141 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Meerdere klachten over onvoldoende zorg voor minderjarige zoon na huiselijk geweld ongegrond
Klager klaagt namens zijn minderjarige zoon met machtiging van de kantonrechter. De ouders van de zoon zijn in 2019 gescheiden en hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over de zoon. Klager meent dat verweerster in februari 2019 een melding had moeten doen van huiselijk geweld en kindermishandeling bij Veilig thuis en dat verweerster nalatig is geweest in de zorg voor de zoon, die (door het huiselijk geweld) trauma’s heeft opgelopen. De commissie is van oordeel dat verweerster onvoldoende aanleiding had om een melding te doen na de contacten van het gezin met de huisartsenpost (HAP), omdat uit de waarneemberichten van de HAP alleen blijkt dat de ouders tijdens een telefoongesprek met de HAP ruzie hadden en niet dat de zoon daarbij aanwezig was. Het gezin is daarnaast al in maart 2019 vanwege de echtscheiding verwezen naar een lokale hulpverleningsorganisatie, die vanaf dat moment intensief betrokken is geweest bij de begeleiding van het gezin. Klager is vanaf mei 2022 gaan aandringen op verwijzing voor traumatherapie voor de zoon. De moeder gaf daarvoor geen toestemming en de rechter heeft klagers verzoek om vervangende toestemming afgewezen. De commissie is van oordeel dat verweerster geen aanknopingspunten had om zonder toestemming van de moeder een verwijzing te geven, totdat medio 2023 in overleg tussen alle betrokken personen en instanties alsnog overeenstemming werd bereikt over een verwijzing. De klachtonderdelen zijn ongegrond.

Datum uitspraak: 16-07-2025
Datum publicatie: 12-02-2026
Referentie: 20240141
Categorieën: Verwijzing | Regie/coördinatie van de zorg

Medisch dossier niet uitgebreid genoeg, maar geen vertraging in de behandeling

Klaagster vindt dat verweerster haar klachten niet serieus heeft genomen en dat hierdoor een vertraging in de behandeling is opgetreden.

Klaagster heeft op maandag een afspraak gemaakt, voor een aantal dagen later. Op dat moment was de hulpvraag kennelijk niet acuut. De dag erna heeft klaagsters moeder opnieuw gebeld, rond 16.15 uur. Verweerster schatte in dat klaagster die middag nog binnen het uur gezien moest worden en verzocht haar naar de praktijk te komen. Twintig minuten later bleek dat naar de praktijk komen niet lukte. Verweerster adviseerde een ambulance te bellen.
De commissie is van oordeel dat het medisch dossier niet uitgebreid genoeg is: er blijkt niet uit dat er sprake was van veel paniek. Ook zijn de afspraken niet goed vastgelegd. De klacht van klaagster is echter dat de klachten niet serieus genomen zijn en dat dit heeft geleid tot een vertraging in de behandeling. Deze klacht is niet gegrond. Verweerster heeft besloten dat klaagster diezelfde dag nog gezien moest worden. Toen naar de praktijk komen niet lukte heeft zij geadviseerd een ambulance te bellen. Het heeft de voorkeur dat een huisarts de ambulance zelf belt, maar dit heeft niet geleid tot een vertraging in de behandeling. Ook als verweerster direct na het eerste telefoongesprek op huisbezoek zou zijn gegaan, zou de behandeling van klaagster niet sneller gestart zijn.

Datum uitspraak: 12-03-2025
Datum publicatie: 17-06-2025
Referentie: 20240054
Categorieën: Regie/coördinatie van de zorg