20240141 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg
Meerdere klachten over onvoldoende zorg voor minderjarige zoon na huiselijk geweld ongegrond
Klager klaagt namens zijn minderjarige zoon met machtiging van de kantonrechter. De ouders van de zoon zijn in 2019 gescheiden en hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over de zoon. Klager meent dat verweerster in februari 2019 een melding had moeten doen van huiselijk geweld en kindermishandeling bij Veilig thuis en dat verweerster nalatig is geweest in de zorg voor de zoon, die (door het huiselijk geweld) trauma’s heeft opgelopen. De commissie is van oordeel dat verweerster onvoldoende aanleiding had om een melding te doen na de contacten van het gezin met de huisartsenpost (HAP), omdat uit de waarneemberichten van de HAP alleen blijkt dat de ouders tijdens een telefoongesprek met de HAP ruzie hadden en niet dat de zoon daarbij aanwezig was. Het gezin is daarnaast al in maart 2019 vanwege de echtscheiding verwezen naar een lokale hulpverleningsorganisatie, die vanaf dat moment intensief betrokken is geweest bij de begeleiding van het gezin. Klager is vanaf mei 2022 gaan aandringen op verwijzing voor traumatherapie voor de zoon. De moeder gaf daarvoor geen toestemming en de rechter heeft klagers verzoek om vervangende toestemming afgewezen. De commissie is van oordeel dat verweerster geen aanknopingspunten had om zonder toestemming van de moeder een verwijzing te geven, totdat medio 2023 in overleg tussen alle betrokken personen en instanties alsnog overeenstemming werd bereikt over een verwijzing. De klachtonderdelen zijn ongegrond.