20200114 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster verwijt verweerder – bestuurder [naam] - in de kern weergegeven: 1.dat de huisarts haar het geneesmiddel Amfexa heeft voorgeschreven terwijl bekend was dat zij hiervan een psychose kon krijgen; 2. dat de huisarts het middel heeft voorgeschreven zonder toezicht van een psychiater; 3. dat de huisarts in plaats van dexamfetamine, Amfexa heeft voorgeschreven.
Ad 1. De vraag waar de commissie zich voor gesteld ziet is of de huisarts op de hoogte was dan wel had moeten zijn van het risico dat klaagster van Amfexa/dexamfetamine psychotisch kon worden. Om deze vraag te kunnen beantwoorden moet worden vastgesteld of de ontslagbrief van 20 september 2011 van de GGZ instelling [naam], waarin – samengevat - de volgende conclusie staat: “Psychotische stoornis NOA Hoofd Misbruik van amfetamine. Differentiaal diagnostisch kan er sprake zijn geweest van een psychose door een middel”, in het bezit was van gezondheidscentrum [naam].
De commissie oordeelt dat op grond van de stukken niet is komen vast te staan dat de brief van 20 september 2011 van [naam], in het dossier van klaagster zat, waardoor de huisarts had kunnen weten dat het gebruik van Amfexa/dexamfetamine bij klaagster een psychose zou kunnen veroorzaken. Dit wil volgens de commissie niet zeggen dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van de verweerder, maar dat de commissie niet bewezen acht dat de brief van 20 september 2011 van [naam], in het dossier zat. Daarmee kan naar het oordeel van de commissie niet worden vastgesteld dat de huisarts op de hoogte was van de mogelijke risico’s van het gebruik van Amfexa/dexamfetamine voor klaagster. De commissie acht dit klachtonderdeel ongegrond.
Ad 2. Vast staat is dat de huisarts bevoegd is om Amfexa/dexamfetamine voor te schrijven mits aan bepaalde zorgvuldigheideisen, waaronder regelmatige controles, is voldaan. Op basis van het dossier en de onderliggende stukken oordeelt de commissie dat de huisarts klaagster regelmatig ter controle op het spreekuur heeft gezien waar onder meer de medicatie werd besproken. De commissie volgt klaagster daarom niet in haar standpunt dat er geen controle/toezicht door de huisarts is geweest op het gebruik van Amfexa/dexametafine. In dit specifieke geval met de expertise van de huisarts en de kennis die zij had over deze zaak, oordeelt de commissie dat zij zich terecht bekwaam heeft geacht om deze handeling uit te voeren. De commissie acht dit klachtonderdeel ongegrond.
Ad 3. Dexamfetamine is een generiek geneesmiddel en wordt gebruikt voor onder andere ADHD. Het middel wordt in Nederland ook verkocht onder de merknaam Amfexa. In de merkmedicatie Amfexa zit dezelfde werkzame stof als in het generieke middel, dexamfetamine. Onweersproken is dat klaagster dexamfetamine langere tijd zonder problemen heeft geslikt. De commissie is van oordeel dat de huisarts daarmee niet onzorgvuldig heeft gehandeld door klaagster Amfexa voor te schrijven en acht ook dit klachtonderdeel ongegrond.
Klager vordert een schadevergoeding van € 25.000,00. Nu het geschil ongegrond is verklaard, komt de commissie ook niet toe aan een beoordeling van de gevorderde schade.

Datum uitspraak: 08-07-2021
Datum publicatie: 04-08-2021
Referentie: 20200114

20210006 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster verwijt verweerster in de kern weergegeven: 1. dat zij bij haar zoon niet de juiste diagnose heeft gesteld toen hij eind oktober 2020 op het spreekuur kwam met heftige buikklachten; 2. dat zij onvoldoende empathie heeft getoond en onvoldoende betrokken is geweest tijdens de bezoeken aan verweerster en nadat werd vastgesteld dat haar zoon een appendicitis had waardoor hij met spoed geopereerd moest worden.
Ad 1. De commissie stelt vast dat er 2 contactmomenten zijn geweest tussen verweerster en klaagster en haar zoon; op 30 oktober 2020 is klaagster op het spreekuur van verweerster geweest en op 5 november 2020 heeft er een telefonisch consult met verweerster plaatsgevonden. Over het verloop van het consult op 30 oktober 2020 hebben klaagster en verweerster een verschillende lezing. Volgens klaagster kon verweerster de buik van haar zoon niet onderzoeken omdat deze teveel pijn deed. Het journaal van verweerster vermeldt het volgende: “oogt matig ziek, pijnlijk” en ”soepele buik, niet drukpijnlijk”. Naar het oordeel van de commissie heeft verweerster op 30 november 2020 terecht geconcludeerd dat er geen aanwijzingen waren voor een acute buik . Later die dag bezochten klaagster en haar zoon de SEH, van een (spoed)opname en een ingreep aldaar op dat moment is niet gebleken. Pas toen klaagster op 5 november 2020 tijdens een telefonisch consult aan verweerster meldde dat haar zoon nog steeds buikpijn had, was er wel reden voor een doorverwijzing naar het ziekenhuis voor het maken van een echo. De commissie is van oordeel dat verweerster niets te verwijten valt en heeft gehandeld zoals mag worden verwacht van een redelijk handelend en redelijk bekwaam huisarts met de wetenschap van dat moment. Het antwoord op de vraag wie als eerste, de moeder of verweerster, het initiatief heeft genomen om de zoon direct door te sturen naar het ziekenhuis is hierbij voor de commissie niet van belang. Zij acht dit klachtonderdeel ongegrond.
Ad 2. De wijze waarop de communicatie tussen klaagster, haar zoon en verweerster heeft plaatsgevonden laat zich moeilijk op juistheid beoordelen door de commissie. Zij is immers niet aanwezig geweest bij de gesprekken tussen klaagster en verweerster. Dat neemt niet weg dat de commissie begrijpt dat het voor klaagster en haar zoon een nare en heftige ervaring moet zijn geweest. Het gaat hier echter niet om het uitgangspunt dat het woord van de klaagster minder geloof verdient dan dat van verweerster, maar om het gegeven dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging verwijtbaar is eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan de commissie dus, ook als aan het woord van klaagster en van verweerster evenveel geloof wordt gehecht, hier niet vaststellen. De commissie acht dit klachtonderdeel ongegrond.
Klager vordert een schadevergoeding van € 25.000,00. Nu het geschil ongegrond is verklaard, komt de commissie ook niet toe aan een beoordeling van de gevorderde schade.

Datum uitspraak: 07-07-2021
Datum publicatie: 02-08-2021
Referentie: 20210006

20200077 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Verweerder heeft klaagsters klachten niet serieus genomen en haar ten onrechte niet verwezen voor een scan vindt zij. Bij klaagster blijkt sprake van uitgezaaide borstkanker te zijn.
De commissie stelt op basis van het journaal vast dat verweerder klaagster tussen 2014 en juli 2018 een aantal keren heeft gezien. Die consulten hadden geen betrekking op borstklachten en ook niet op klachten die daarmee verband kunnen houden. Vanaf 2019 ging verweerder met pensioen. In juli 2020, twee jaar na het laatste contact van verweerder met klaagster, is bij verweerders opvolger voor het eerst gesproken over borstklachten. Zelfs als gekeken wordt met de kennis van nu naar de consulten die verweerder had met klaagster, zijn de klachten waarmee klaagster zich presenteerde niet te relateren aan borstkanker en was er ook geen (andere) aanleiding om klaagster te verwijzen voor een scan. De commissie verklaart de klacht van klaagster ongegrond.

Datum uitspraak: 27-05-2021
Datum publicatie: 15-07-2021
Referentie: 20200077

20200078 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Verweerder heeft volgens klaagster haar klachten niet serieus genomen en haar ten onrechte niet verwezen voor een scan. Bij klaagster is uitgezaaide borstkanker vastgesteld.

Uit het journaal maakt de commissie op dat tussen 9 augustus 2019 en 4 februari 2020 een aantal consulten heeft plaatsgevonden met klaagster. De consulten die plaatsvonden hadden geen betrekking op borstklachten.
Op 10 en 17 december 2019 vonden consulten plaats in verband met hoestklachten, verweerder schrijft codeïne en later een pufje voor. Pas in juli 2020 gaat klaagster in verband met klachten van haar borst naar een collega van verweerder en wordt later uitgezaaide borstkanker vastgesteld.
Zelfs als gekeken wordt met de kennis van nu naar de consulten die verweerder had met klaagster, zijn de klachten waarmee klaagster zich presenteerde niet te relateren aan borstkanker. Ook de hoestklachten wezen op dat moment nog niet op de later geconstateerde uitzaaiingen in de longen. Die consulten vonden plaats in december 2019, pas een ruim half jaar later ging klaagster met borstklachten naar verweerders collega.
Alle overige consulten gaven evenmin aanleiding klaagster te verwijzen voor een scan. De commissie heeft ook geen relatie kunnen leggen tussen de klachten waarmee klaagster op consult kwam, zelfs niet met de huidige kennis, en de later geconstateerde borstkanker. De commissie verklaart de klacht van klaagster ongegrond.

Datum uitspraak: 27-05-2021
Datum publicatie: 15-07-2021
Referentie: 20200078

20200118 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster vindt dat er door een huisartsenpost ten onrechte een waarschuwingsbrief aan haar is gestuurd. Klaagster vindt dat zij gehoord had moeten worden voordat er een brief werd verstuurd.

Bij verweerder geldt een agressie protocol. Volgens dit protocol wordt volgens een aantal stappen gehandeld. De eerste stap is een waarschuwingsbrief. Daarna volgt een ordegesprek en vervolgens zijn nog verdere maatregelen mogelijk.
Klaagster was bij het eerste incident tegen haar wil naar verweerder gebracht. Er is niet volledig vast te stellen door de commissie in hoeverre klaagster toen agressief was. Wel is duidelijk dat er sprake was van veel commotie op het terrein van verweerder. Het is voor verweerder van belang de orde op het terrein te kunnen bewaken.
Bij het tweede incident was klaagster wel vrijwillig aanwezig. In de wachtkamer is een woordenwisseling ontstaan met een andere patiënt. Ook hier is door de commissie niet vast te stellen of klaagster agressief was. Onweersproken door klaagster is echter wel dat zij nadat de triagiste haar verzocht de wachtkamer te verlaten, zij dit heeft geweigerd. De rust keerde pas terug, nadat de andere patiënt de wachtkamer heeft verlaten. De commissie is van oordeel dat een patiënt, indien wordt verzocht de wachtkamer te verlaten, aan dit verzoek gevolg dient te geven.
Nadat een consult heeft plaatsgevonden, is klaagster de naam gaan vragen van de betrokken triagiste. Dit is door de triagiste als intimiderend ervaren. Voor het indienen van een klacht is het ook niet nodig de naam van de triagiste te weten, omdat dit voor verweerder makkelijk te achterhalen is na ontvangst van de klacht. De triagiste heeft geweigerd haar naam te geven en heeft aangegeven zelf een klacht in te zullen dienen jegens klaagster. De commissie is van oordeel dat de reactie van de triagiste te weten dat zij een klacht zou indienen niet professioneel was. Van een professional mag verwacht worden dat zij weet om te gaan met dergelijke gebeurtenissen. Dit is naar het oordeel van de commissie echter niet voldoende om de klacht van klaagster gegrond te verklaren.
De commissie is van oordeel dat verweerder klaagster terecht heeft gewaarschuwd dat haar gedrag niet acceptabel was, nu er op korte termijn twee incidenten plaatsvonden waarbij klaagster betrokken was en die tot onrust hebben geleid. De klacht van klaagster is daarmee ongegrond.

De commissie is wel van oordeel dat het beter zou zijn indien de volgorde in het agressie protocol anders zou zijn, waarbij eerst een gesprek gevoerd wordt met de betrokkene. Een dergelijk gesprek kan de-escalerend werken en ook het gevoel geven gehoord te worden. Klaagster geeft ook aan dat zij het prettiger had gevonden gehoord te zijn, voordat zij een waarschuwingsbrief kreeg.

Datum uitspraak: 06-07-2021
Datum publicatie: 15-07-2021
Referentie: 20200118

20200109 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster verwijt verweerder – directeur van de Huisartsenpost (HAP) - dat de dienstdoende huisarts haar klachten niet goed heeft beoordeeld en haar onterecht niet heeft doorgestuurd naar de Spoedeisende Hulp (SEH) toen zij daarom vroeg.
Op 6 oktober 2020 meldde klaagster zich op de HAP met klachten van de bovenbuik waarvoor zij maagbeschermers kreeg voorgeschreven. De volgende dag nam klaagster contact op met de [naam] kliniek vanwege een eerdere ‘gastric bypass’ operatie; zij kreeg daar het advies extra maagbeschermers te gebruiken. Op 10 oktober 2020 om 12:42 uur nam klaagster opnieuw telefonisch contact op met de HAP en vroeg om een doorverwijzing naar de SEH. Uitgelegd werd dat dit niet automatisch mogelijk was, maar pas na een consult waarvoor klaagster wel direct langs kon komen. Zij werd op de HAP om 14.00 uur gezien door de dienstdoende huisarts die na onderzoek vaststelde dat klaagster maagklachten had. Naast de maagbeschermers kreeg zij pijnmedicatie voorgeschreven en het advies om met haar eigen huisarts contact op te nemen. Doorverwijzing naar de SEH vond op dat moment niet plaats.
De commissie oordeelt als volgt. De HAP heeft een poortwachtersfunctie, die erop gericht is om in de ANW-uren (Avond-Nacht-Weekend) patiënten met spoedeisende klachten te behandelen. De dienstdoende huisarts stelde op 10 oktober 2020 bij de beoordeling van klaagster – samengevat - vast dat zij geen koorts had, geen druk- en loslaatpijn, niet misselijk was en haar buik soepel aan voelde. Klaagster maakte verder geen zieke indruk. De dienstdoende huisarts was op de hoogte van de ‘gastric bypass’ ingreep van een jaar geleden. De dienstdoende huisarts heeft een buikonderzoek verricht, waarbij geen signalen waren, die bij een op dat moment acuut gallijden gevonden zouden kunnen worden. Vast staat is dat de dienstdoende huisarts klaagster heeft geadviseerd om met haar eigen huisarts contact op te nemen voor nader onderzoek. Klaagster kreeg voor de pijn tramadol van de dienstdoende huisarts voorgeschreven, verder werd haar geadviseerd maagbeschermers te blijven gebruiken en vloeibaar voedsel te eten. De commissie stelt vast dat klaagster terecht is terugverwezen naar haar eigen huisarts nu de dienstdoende huisarts op 10 oktober 2020 niet tot de diagnose kon komen dat er sprake was van een spoedeisende aandoening met de noodzaak tot direct ingrijpen. De commissie is van oordeel dat de dienstdoende huisarts zorgvuldig heeft gehandeld en acht de klacht van klaagster ongegrond.
Nu het geschil ongegrond is verklaard, komt de commissie ook niet toe aan een beoordeling van de gevorderde schade.

Datum uitspraak: 08-06-2021
Datum publicatie: 01-07-2021
Referentie: 2020109

20210007 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager verwijt verweerder (directeur van de Huisartsenpost-HAP) dat de dienstdoende huisarts van de HAP op 18 oktober 2020 nader onderzoek had moeten verrichten bij zijn schoonvader dan wel hem had moeten doorverwijzen naar het ziekenhuis.
Vast staat dat er op 18 oktober 2020 twee consulten hebben plaatsgevonden; een huisbezoek om 21.05 uur en een telefonisch consult om 22.05 uur. Over het huisbezoek om 21.05 uur staat het volgende vermeld in het waarneembericht: “zeer gespanen iets afwezig, geeft redelijk antwoord zij het met vertraging neurologisch zo ver hij mee werkt: gb” “Evaluatie Crisis/voorbijgaande stressreactie”. De dienstdoende huisarts schreef oxazepam voor. - De dag daarvoor was er een huisarts van de HAP op huisbezoek geweest en had oxazepam voorgeschreven waarop de patiënt goed had geslapen. – De huisarts adviseerde om na het weekend contact op te nemen met de eigen huisarts. Om 22.05 uur heeft er vervolgens een telefonisch consult met de dienstdoende huisarts plaatsgevonden waarbij deze uitlegt dat er op dat moment geen aanwijzingen zijn voor een acute opname. Ook nu werd het advies gegeven zo nodig extra oxazepam te geven aan de patiënt en de volgende dag contact op te nemen met de eigen huisarts.
Klager en de dienstdoende huisarts hebben uiteenlopende lezingen over hoe de consulten op 18 oktober 2020 zijn verlopen. De commissie laat hierbij in het midden wat precies is gezegd en besproken tussen enerzijds klager en diens schoonmoeder en de dienstdoende huisarts anderzijds omdat ook in het geval de lezing van de kant van klager zou worden gevolgd het handelen van de huisarts niet leidt tot een gegrondheid van de klacht. De commissie oordeelt namelijk dat op basis van het – summiere - waarneembericht en de onderliggende stukken, dat er op 18 oktober 2020 geen medische redenen waren om op dat moment acuut in te grijpen. Onweersproken is dat de klachten al wat langer aan de gang waren. De dienstdoende huisarts heeft volgens de commissie terecht beoordeeld dat er op dat moment geen sprake was van een indicatie voor spoedopname in het ziekenhuis of aanvullend onderzoek. De voorgeschreven medicatie leek – tijdelijk – te helpen waardoor de patiënt rustig de nacht door kon komen. Duidelijk was dat er wel aanvullende diagnostiek nodig was maar dit kon wachten tot de volgende dag. De dienstdoende huisarts heeft bij het eerste en het tweede consult geadviseerd om de volgende dag contact op te nemen met de eigen huisarts voor nader onderzoek. De commissie begrijpt dat de patiënt en zijn familie geschrokken zijn van de hele situatie en van de diagnose die later in het ziekenhuis werd gesteld. De commissie is echter van oordeel dat de dienstdoende huisarts op 18 oktober 2020 heeft gehandeld zoals mag worden verwacht van een redelijk handelend en redelijk bekwaam huisarts binnen de gegeven context. Zij acht de klacht van klager ongegrond.

Datum uitspraak: 27-05-2021
Datum publicatie: 01-07-2021
Referentie: 20210007

20200079 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster vindt dat verweerder (een huisartsenpost) op meerdere punten tekort is geschoten in de zorgplicht en dat er bij juiste medische zorg een grotere overlevingskans was geweest van haar echtgenoot, de patiënt.

Op 17 mei 2019 vond een visite plaats. Volgens verweerder vond de dienstdoende huisarts het verstandig dat de patiënt werd opgenomen, maar dat hij opname weigerde. In het waarneembericht is niet vastgelegd dat hem een opname is geadviseerd en dat de patiënt dit zelf niet wilde. Tevens is niet vastgelegd op basis waarvan hij compos mentis geacht werd.
De commissie is van oordeel dat als een patiënt in zo’n ernstige toestand verkeert dat opname gewenst is en de patiënt weigert dit, dit goed vastgelegd moet worden: op welke gronden de patiënt weigert, wat geadviseerd is en hoe gewaarschuwd is voor eventuele gevolgen. Tevens dient vastgelegd te worden op basis waarvan beoordeeld wordt dat de patiënt in staat is zijn wil te bepalen en niet delirant is bijvoorbeeld. Tevens dient in dat geval een follow up te worden afgesproken, waarbij vinger aan de pols wordt gehouden. Een patiënt die niet meewerkt alleen wijzen op een eigen verantwoordelijkheid tot het innemen van de medicatie, is daartoe naar het oordeel van de commissie niet voldoende, temeer omdat de patiënt die dag zijn medicatie al eerder niet had ingenomen. Bij het beoordelen van het handelen van verweerder gaat de commissie uit van hetgeen is vastgelegd in het waarneembericht. Het waarneembericht is kort na de feitelijke consulten opgesteld en vormt daarmee een belangrijke bron voor hetgeen destijds heeft plaatsgevonden. Alle bovengenoemde punten zijn niet vastgelegd in het waarneembericht. Daarmee kan de commissie ook niet vaststellen dat het gegaan is zoals verweerder stelt. Gezien het belang van een goede verslaglegging, komt dit voor risico van verweerder.
Op 19 mei 2019 belde klaagster opnieuw met verweerder. Uit de overlegde transcripties van de gevoerde gesprekken blijkt dat klaagster verward was en de gestelde vragen door de triagiste niet goed kon beantwoorden. De commissie vindt dat er sprake is van onvoldoende zorg, om de telefonische contacten geen vervolg te geven. Duidelijk was dat de toestand van de patiënt op vrijdag al zorgelijk was. Bij het opnieuw bellen door klaagster was duidelijk sprake van veel stress. Daar er op vrijdag al geen duidelijke follow up afspraken waren gemaakt, was het van belang zelf de regie in handen te houden en poolshoogte te gaan nemen.
De commissie is van oordeel dat reeds op vrijdag 17 mei 2019 meer gedaan had moeten worden om de patiënt op te laten nemen. Ook voor de zondag erop is de commissie van oordeel dat verweerder onvoldoende de regie heeft genomen. Er had een ambulance gestuurd kunnen worden, dan wel een visite gereden kunnen worden om de toestand van de patiënt te beoordelen. De commissie verklaart de klacht van klaagster gegrond.

De gevorderde schadevergoeding wordt afgewezen. Er zijn alleen begrafeniskosten gevorderd. Van belang voor de beoordeling of sprake is van geleden schade is de vraag of de begrafeniskosten niet zouden zijn gemaakt zonder de gemaakte fout. De commissie is van oordeel dat gezien de algehele conditie waarin de patiënt verkeerde, hij ook met het handelen van verweerder weggedacht, op korte termijn zou zijn overleden. De begrafeniskosten die zijn gevorderd, zouden daarmee op korte termijn hoe dan ook gemaakt zijn. Deze kosten kunnen dan ook niet worden toegewezen. Het handelen dan wel nalaten van verweerder heeft wel gezorgd voor extra stress bij klaagster waarbij zij tevens haar overleden man heeft moeten vinden. Het overlijden van klaagsters echtgenoot was haar niet bespaard gebleven, de gang van zaken in het weekend van 17-19 mei 2019 had echter wel prettiger kunnen verlopen. Er is echter geen immateriële schade gevorderd, waardoor de commissie dergelijke schade ook niet kan toewijzen.

Datum uitspraak: 19-05-2021
Datum publicatie: 30-06-2021
Referentie: 20200079

20200072 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager vindt dat verweerder de diagnose heeft gemist en zijn klachten niet serieus heeft genomen.
Op 4 november 2019 was er sprake van een lichte schildklierafwijking. Op 15 november 2019 was duidelijk zichtbaar dat de schildklier van klager te snel werkte. Naar het oordeel van de commissie heeft verweerder de diagnose schildklierontsteking gemist. Ten onrechte is verweerder op het spoor gaan zitten van een infectie, ondanks de afwijkende bloeduitslagen en de klachten waarmee klager zich presenteerde. Verweerder heeft nagelaten alle bloeduitslagen en symptomen van de patiënt in samenhang met elkaar te bekijken. Verweerder heeft op onjuiste gronden meerdere kuren antibiotica voorgeschreven, waardoor klager een Clostridiuminfectie kreeg. Hierdoor is klager erg ziek geworden met een ziekenhuisopname en lang herstel tot gevolg. Het bovenstaande leidt tot het oordeel dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn zorgplicht en de klacht gegrond is.
De uitspraak omtrent de gevorderde schadevergoeding wordt aangehouden: klager wordt eerst in de gelegenheid gesteld de geleden schade nader te onderbouwen.

Klager heeft de schade nader onderbouwd, verweerder heeft hierop mogen reageren. De commissie wijst een materiële schadevergoeding toe van € 1.324,75, wegens reiskosten, eigen risico op de zorgverzekering, gemiste loontoeslagen en inhuur extra FTE eigen zaak. Daarnaast wordt een immateriële schadevergoeding toegewezen van € 1.500,00 in verband met klagers verblijf in het ziekenhuis, de delay in de behandeling, de infectie ten gevolge van antibioticagebruik en een langere revalidatie voor een aandoening die op korte termijn behandeld had kunnen worden. Daarnaast wordt verweerder veroordeeld de door klager betaalde griffiekosten van € 100,00 terug te betalen.

Datum uitspraak: 16-02-2021
Datum publicatie: 30-06-2021
Referentie: 20200072

20200096 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster verwijt verweerder dat de dienstdoende huisarts geen visite heeft afgelegd bij haar vader in de nacht. Klaagster denkt dat als de patiënt eerder zou zijn gezien, eerder duidelijk was wat hij had en eerder medicijnen had kunnen krijgen.
Uit de transcriptie van het gevoerde gesprek tussen de verzorgende en de triagiste van verweerder is naar het oordeel van de commissie gebleken dat juist is gehandeld op basis van de informatie die op dat moment bekend was. De patiënt gaf aan dat de pijn meeviel, er zou gestart worden met pijnstilling, hij beschikte over een urinaal en twee uur later zou contact opgenomen kunnen worden met de eigen huisarts. Onder die omstandigheden was het verdedigbaar dat niet op dat moment visite werd gereden. De commissie verklaart klachtonderdeel 1 ongegrond.

Daarnaast verwijt klaagster verweerder dat in de klachtbemiddeling geen mogelijkheid is geboden om het opgenomen telefoongesprek tussen de medewerker van het verzorgingshuis en de triagiste van verweerder te beluisteren.
Voor de beoordeling van dit klachtonderdeel heeft de geschillencommissie in het bijzonder acht geslagen op Hoofdstuk 5 van de KNMG-richtlijn (Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst) Omgaan met medische gegevens, Beeld- en geluidsopnamen. Klaagster is nabestaande en niet de patiënt zelf. Daarnaast betrof het een gesprek met de verzorgende van het verzorgingshuis en niet met de patiënt zelf. Op grond hiervan heeft klaagster geen formele rechten om het gevoerde gesprek ook zelf te beluisteren. Tijdens de procedure heeft verweerder echter alsnog aangeboden aan klaagster dat zij het gesprek in aanwezigheid van de klachtenfunctionaris kan beluisteren. Voorzover dit nog een zelfstandig klachtonderdeel is gaat de commissie ervan uit dat dit klachtonderdeel is opgelost gezien het gedane aanbod.

Datum uitspraak: 20-05-2021
Datum publicatie: 30-06-2021
Referentie: 20200096

20200107 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager verwijt verweerder dat hij hem niet heeft verwezen naar de cardioloog op 31 december 2015 en dat de door verweerder voorgeschreven medicatie lichamelijk letsel heeft veroorzaakt.

Toen klager op het spreekuur kwam op 31 december 2015 heeft verweerder klager onderzocht. Nadat hij een onregelmatige hartslag constateerde, heeft hij een ECG gemaakt. Er werd atriumfibrilleren vastgesteld. Vervolgens heeft verweerder metoprolol voorgeschreven en klager verwezen naar de cardioloog. Vast staat dat verweerder conform de NHG Standaard Atriumfibrilleren heeft gehandeld en de daarin genoemde onderzoeksmethode en behandelwijze heeft uitgevoerd. Aldus heeft hij naar het oordeel van de commissie als een goed hulpverlener gehandeld. Overigens heeft de cardioloog het door verweerder ingezette beleid met metoprolol voortgezet en niet aangegeven dat dit niet juist zou zijn geweest.
Nadat klager op het spreekuur kwam met huidklachten, waarvan hij dacht dat dit werd veroorzaakt door met name de metoprolol, heeft verweerder dit afgebouwd, om te onderzoeken of de huidklachten daarmee verdwenen. Ook de andere medicatie is soort voor soort afgebouwd. Nadat dit niet hielp en ook de voorgeschreven crèmes niet, heeft verweerder klager verwezen naar de dermatoloog. Klager is gezien door meerdere dermatologen, zij hebben geen relatie tussen de medicatie die klager gebruikte en de huidproblemen geconstateerd. Dat verweerder eerst zelf klager behandelde voor de huidproblemen is niet verwijtbaar. Het is de rol van een huisarts als poortwachter, om eerst in de eerste lijn te kijken of behandeling mogelijk is en pas daarna te verwijzen naar de tweede lijn. Die verwijzing heeft naar het oordeel van de commissie niet te lang op zich laten wachten. De commissie verklaart de klacht van klager ongegrond.

Datum uitspraak: 20-05-2021
Datum publicatie: 30-06-2021
Referentie: 20200107

20200067 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager klaagt over het handelen van verweerder ten aanzien van de mogelijkheden om 24-uurszorg en begeleiding te organiseren.

Op 28 januari 2020 zou een gesprek plaatsvinden over de zorg voor klager, waarbij de aanwezigheid van verweerder was gevraagd. Verweerder wilde eerst met klager zelf spreken.
Verweerder dient primair te handelen in het belang van zijn patiënt, zijnde klager, los van de wensen van familie of andere deskundigen. Het toepassen van dwang kan alleen als ingrijpen noodzakelijk is om ernstig nadeel voor de cliënt of zijn omgeving te voorkomen of af te wenden. Om vast te kunnen stellen wat het beste is voor klager, was het nodig voor verweerder om klager eerst zelf te zien. Verweerder heeft direct de volgende dag een visite afgelegd. Na dit bezoek was verweerder niet overtuigd van de noodzaak van een opname of het afgeven van een RM. Het is een huisarts ook niet toegestaan om betrokken te zijn bij het aanvragen van een RM, of druk te zetten zodat het komt tot een opname. Ook had klager zelf aangegeven een opname in het verpleeghuis niet te willen. Verweerder heeft zijn standpunt uitgelegd aan klager, maar ook aan diens dochter. Verweerder heeft vervolgens andere opties aangegeven bij klagers familie, zoals een ander verzorgingshuis in de buurt.
Naar het oordeel van de commissie heeft verweerder niet verwijtbaar of onzorgvuldig gehandeld. Verweerder kon de wens van klagers familie tot opname niet volgen, maar heeft aangeboden te praten over geschikte alternatieven. Het behoort tot verweerders professionaliteit om in te kunnen schatten wat het beste zou zijn voor klager, klager was over verweerders zorgverlening ook tevreden. Verweerder heeft dan ook niet geweigerd mee te werken aan het organiseren van 24-uurszorg, verweerder heeft een eigen inschatting gemaakt, waartoe hij ook bevoegd is. De commissie verklaart de klacht ongegrond.

Datum uitspraak: 26-05-2021
Datum publicatie: 30-06-2021
Referentie: 20200067

20200110 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster heeft een injectie in haar schouder gekregen, waarna haar hand gevoelloos is geraakt.
Verweerster heeft met klaagster besproken dat pijnstilling en fysiotherapie de eerst aangewezen behandeling was, temeer omdat niet vast stond dat sprake was van een bursitis. Klaagster bleef echter aangeven dat zij dit niet wilde en een injectie wilde. Verweerster heeft haar vervolgens op de risico’s gewezen, hetgeen wordt ondersteund door de aantekeningen in het journaal. Klaagster bleef bij haar standpunt een injectie te willen. Daarmee is duidelijk dat er sprake was van informed consent en dat klaagster was gewezen op mogelijke risico’s. Voldaan is aan de informatieverplichting neergelegd in artikel 7:448 BW en het toestemmingsvereiste neergelegd in artikel 7:450 BW. Verweerster heeft de injectie gezet conform de daarvoor aanvaarde norm in de beroepsgroep, nu er direct na het geven van de injectie geen klachten waren. Zou de injectie verkeerd gezet zijn, in een zenuw bijvoorbeeld, had dat direct klachten gegeven en dat was niet het geval. Dat achteraf sprake bleek te zijn van een complicatie is naar het oordeel van de commissie niet gerelateerd aan een onzorgvuldig handelen van verweerster. In die zin betreft het geen fout maar een (zeer zeldzaam voorkomende) complicatie van de behandeling. Ook valt niet uit te sluiten dat er sprake was van een al bestaande aandoening op het moment dat de injectie gezet werd. De commissie verklaart de klacht van klaagster ongegrond.

Datum uitspraak: 27-05-2021
Datum publicatie: 30-06-2021
Referentie: 20200110

20200087 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster verwijt verweerder dat hij haar niet de juiste behandeling heeft voorgeschreven toen zij ernstige fysieke klachten had ten gevolge van een vitamine B12 tekort. Volgens klaagster hebben verweerder en zijn collega’s niet goed naar haar geluisterd en haar klachten niet serieus genomen.
De commissie richt zich bij het beoordelen van de klacht van klaagster op het handelen van verweerder en niet op dat van zijn collega-huisartsen, waarbij het uiteraard wel van belang is dat er kennis wordt genomen van hetgeen door collega’s in het journaal is vastgelegd. Klaagster bezocht het spreekuur van verweerder op 27 maart 2017, 28 maart 2018, 17 augustus 2018 en 24 augustus 2018.
Voor de beoordeling van deze klacht heeft de geschillencommissie in het bijzonder acht geslagen op het NHG standpunt Diagnostiek van vitamine B12 deficiëntie” en de LESA (Landelijke Eerstelijns Samenwerkings Afspraak). “ Laboratoriumonderzoek Vitamine B12-deficiëntie.
Op 20 september 2017 werd vitamine B12 geprikt: 150 pmol/l. Volgens de NHG standaarden is er dan sprake van een laagnormaalwaarde. Aanvullend is er een MMA (methylmalonzuur) bepaling gedaan met de navolgende uitkomst: “Vitamine B12 deficiëntie nagenoeg uitgesloten”. De commissie komt op basis hiervan tot de conclusie dat er terecht niet werd voorgesteld om op dat moment over te gaan op een medicamenteuze behandeling.
Op 28 maart 2018 bezocht klaagster het spreekuur van verweerder met klachten van de spieren, waarbij zij zich afvroeg of zij net als haar moeder, fybromyalgie had. Naast lichamelijk onderzoek, liet verweerder laboratoriumonderzoek verrichten op verdenking van spierreuma. Er werden geen afwijkingen gevonden. Ook nu waren er naar het oordeel van de commissie geen aanwijzingen die duiden op een vitamine B12 tekort.
Op 17 augustus 2018 meldde klaagster op het spreekuur dat zij burn-out klachten had. Na bloedonderzoek werd er een vitamine B12 gehalte van 115 pmol/l gemeten. Volgens de richtlijnen is er sprake van een verlaagd vitamine B12 gehalte als de waarde lager is dan 150 pmol/l. Tevens is er een MMA bepaling gedaan werd waarover het journaal vermeldt: “Vitamine B12 deficiëntie nagenoeg uitgesloten”. Besloten werd om in overleg met klaagster vitamine B12 injecties te geven, hoewel verweerder naar het oordeel van de commissie, op grond van de richtlijnen ook had kunnen volstaan met het (zo nodig) voorschrijven van orale medicatie.
Op grond van het vorengaande, ook in samenhang beschouwd, oordeelt de commissie dat verweerder telkens heeft gehandeld binnen de kaders van de NHG richtlijnen en daardoor de grenzen van een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener niet te buiten is gegaan, waardoor de commissie tot de conclusie komt dat de klacht van klaagster ongegrond is.
Nu het geschil ongegrond is verklaard, komt de commissie ook niet toe aan een beoordeling van de gevorderde schade.

Datum uitspraak: 07-06-2021
Datum publicatie: 30-06-2021
Referentie: 20200087

20200095 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager verwijt verweerder (directeur van de Huisartsenpost -HAP) in de kern samengevat:
1. dat de dienstdoende huisarts een verkeerde diagnose heeft gesteld mede doordat zij geen röntgenfoto heeft laten maken; 2. dat de dienstdoende huisarts onvoldoende heeft door- en uitgevraagd naar wat er was gebeurd en klager onvoldoende serieus heeft genomen; 3. dat de dienstdoende huisarts onvoldoende nazorg heeft verricht door de wond niet te verbinden, geen advies te geven over de verzorging, geen medicatie voor te schrijven en geen vangnet te bieden; 4. dat de HAP geen brief met het verslag van het consult op de HAP (waarneembericht) heeft meegegeven voor zijn eigen huisarts.
Ad 1. Klager kwam naar de HAP met een vermoeden dat er een kogeltje in zijn hand was achtergebleven na een ongeluk met een luchtdrukpistool. De commissie ziet zich voor de vraag gesteld of de huisarts door slechts de wond te onderzoeken op een wijze waarop zij dit heeft gedaan, heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk handelend en redelijk bekwaam huisarts. De commissie komt tot het oordeel dat dit niet het geval is. Een huisarts dient, wanneer sprake is van een schietincident waarbij het vermoeden bestaat dat er een (deel van) een kogeltje is achtergebleven in een hand, in principe altijd over te gaan tot het laten maken van een röntgenfoto. Dit klachtonderdeel is gegrond.
Ad 2. Op basis van de onderliggende stukken en het waarneembericht van de HAP oordeelt de commissie dat de huisarts voldoende heeft uit- en doorgevraagd om haar beleid op af te kunnen stemmen en acht dit klachtonderdeel ongegrond.
Ad 3. In het waarneembericht staat het volgende vermeld: “met betadine schoon gemaakt en verbonden, advies droog en schoon houden bij toename pijn of roodheid zwelling co, uitleg lood kogel zit er niet in de wond”. Klager en verweerder spreken elkaar op dit punt tegen. De commissie baseert zich bij haar beoordeling van dit klachtonderdeel niet op het uitgangspunt dat het woord van klager minder geloof verdient dan dat van verweerder, maar op het gegeven dat moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag liggen. Deze feiten heeft commissie hier niet vast kunnen stellen. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Ad 4. De commissie oordeelt dat dit klachtonderdeel gegrond is. Het is gebruikelijk om na het consult met de huisarts van de HAP aan patiënten die niet in dat zorggebied vallen, het medisch dossier mee te geven. Verweerder had dit niet gedaan. Klager kreeg pas een afschrift nadat hij naar zijn eigen huisarts was geweest. De commissie acht dit klachtonderdeel gegrond.
Klager heeft een materiële en immateriële schadevergoeding gevorderd van € 25.000,00. De commissie oordeelt dat noch uit het journaal van de eigen huisarts van klager van 8 september 2020, noch uit de verslaglegging van de plastisch chirurg van 21 september 2020, noch uit de onderbouwing van klager zelf blijkt dat hij (rest)schade heeft gehad of nog steeds heeft ten gevolge van het niet maken van een röntgenfoto op 15 augustus 2020 en het daaruit voortvloeiende gevolg van het in de handpalm blijven zitten van een loodkogeltje. Ook heeft klager zijn materiële schadevergoeding niet verder niet onderbouwd. Voor de immateriële schadevergoeding oordeelt de commissie dat vanwege het niet maken van een röntgenfoto door de huisarts, klager langer met pijnklachten heeft rondgelopen. Op basis van ‘redelijkheid en billijkheid’ veroordeelt de commissie verweerder tot het betalen van een bedrag van € 100,00 en € 100,00 van het door klager betaalde griffierecht.

Datum uitspraak: 21-04-2021
Datum publicatie: 17-05-2021
Referentie: 20200095

20200101 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager verwijt verweerder 1. dat hij oordruppels heeft voorgeschreven terwijl klager doorverwezen had moeten worden naar het ziekenhuis; 2. dat hij vanwege zijn rugklachten in plaats van naar het ziekenhuis, naar de fysiotherapeut werd doorverwezen; 3. dat hij elke week langs kon komen voor lidocaïne injecties voor zijn rugklachten, maar op de huisartsenpost hadden zij gezegd dat dit niet goed was.
Ad 1. De commissie oordeelt dat verweerder conform de NHG standaard Otitis Externa heeft gehandeld door klager oordruppels (bij herhaling) voor te schrijven - conform bovenstaande standaard. Toen klager werd gezien door een waarnemend huisarts was de oorontsteking genezen; de behandeling met oordruppels had kennelijk geholpen. Klager had echter klachten van ‘tinnitis’ en werd hiervoor doorverwezen door de waarnemend huisarts naar de KNO-arts. De commissie is van oordeel dat verweerder zorgvuldig heeft gehandeld; hij had klager voor deze klachten niet door hoeven te verwijzen naar het ziekenhuis. Zij acht dit klachtonderdeel ongegrond.
Ad 2. Onweersproken is dat verweerder klager in 2020 heeft doorverwezen naar de fysiotherapeut. De commissie stelt vast dat in het dossier niets is terug te vinden over een verwijzing naar de fysiotherapeut; op 17 februari 2021 staat de notitie “Fysio” vermeld in het journaal. Verweerder heeft naar het oordeel van de commissie gehandeld conform de NHG standaarden Lage Rugpijn en Lumbosacraal Radiculair Syndroom door een afwachtend beleid te voeren ten aanzien van de al langer bestaande rugklachten van klager en hem vervolgens door te verwijzen naar de fysiotherapeut. Dit klachtonderdeel is ongegrond. Wel tekent de commissie hierbij aan dat het journaal van verweerder op dit punt summier en niet in alle gevallen volledig is.
Ad 3. Uit het journaal en de onderliggende stukken is naar het oordeel van de commissie niet gebleken van enige motivatie die ten grondslag ligt aan de behandeling, mede gelet op de conclusie van de werkgroep bij de standaard Lage Rugpijn dat er ‘geen plaats is voor invasieve pijnbestrijding’. Ook is uit het journaal niet komen vast te staan dat verweerder klager over de voor- en nadelen van de behandeling heeft geïnformeerd. De commissie acht op dit punt dat verweerder beter had kunnen handelen, maar niet zodanig dat er sprake is van verwijtbaar handelen. Het toedienen van lidocaïne injecties is op zichzelf geen onjuiste behandeling die verweerder niet had mogen uitvoeren, maar vanwege de onbewezen effectiviteit, had verweerder dit beter moeten motiveren, ook naar klager toe. Naar het oordeel van de commissie is verweerder echter wel binnen de grenzen gebleven van een redelijk handelend en redelijk bekwaam huisarts en acht dit klachtonderdeel ongegrond.
Nu de klachten ongegrond zijn, wijst de commissie de vordering tot schadevergoeding van klager af.

Datum uitspraak: 04-05-2021
Datum publicatie: 17-05-2021
Referentie: 20200101

20210008 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster verwijt verweerster dat zij haar niet heeft geïnformeerd over de kosten van de GGZ-psycholoog waar zij naar toe is verwezen bij afwezigheid van de praktijkondersteuner huisartsenzorg GGZ (POH-GGZ).
De commissie is van oordeel dat verweerster ten aanzien van de medische behandeling een informatieplicht heeft jegens de patiënt. Deze informatieplicht vloeit voort uit de behandelingsovereenkomst op grond van de WGBO. Ten aanzien van de kosten voor een aanvullende behandeling, waaronder een behandeling bij de psycholoog, heeft klaagster naar het oordeel van de commissie, een eigen onderzoekplicht of de behandeling valt onder de dekking van haar zorgverzekering. Naar het oordeel van de commissie kan van een huisarts niet worden verwacht dat deze op de hoogte is van alle verschillende verzekeringspolissen van haar patiënten. Verweerster heeft volgens de commissie niet verwijtbaar gehandeld en acht de klacht van klaagster ongegrond en wijst de gevorderde schadevergoeding af.

Datum uitspraak: 04-05-2021
Datum publicatie: 17-05-2021
Referentie: 20210008

20200059 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster heeft verweerder gevraagd om een injectie met corticosteroïden en lidocaïne in verband met pijnklachten in haar schouder. De dienstdoende huisarts van verweerder is alleen overgegaan tot het voorschrijven van pijnmedicatie. Verweerder is van mening dat het behandelen van een slijmbeursontsteking met een injectie in de slijmbeurs geen zorg is die op een spoedpost verricht moet worden. Een dergelijke behandeling moet passen binnen een therapeutisch plan en is een behandeloptie waar samen met de eigen behandelaar voor gekozen kan worden. Klaagster is van mening dat er in haar geval goede argumenten waren om af te wijken van geldende protocollen omdat in het verleden alleen een injectie hielp en pijnstilling niet.

Volgens de standaard schouderklachten is altijd de eerste stap rust, koelen en behandeling met analgetica (pijnmedicatie). Een injectie met corticosteroïden is niet de eerst aangewezen behandeling en behoort daarmee dan ook niet tot het door een huisartsenpost geven van spoedzorg. Dat klaagster eerder een injectie heeft gekregen, wil niet zeggen dat dat in deze situatie opnieuw was aangewezen. Dat is iets, dat beoordeeld dient te worden door de eigen behandelaar als gebleken is dat rust, koelen en pijnmedicatie niet afdoende is geweest. De commissie verklaart de klacht van klaagster ongegrond.

Datum uitspraak: 11-01-2021
Datum publicatie: 11-04-2021
Referentie: 20200059

20200068 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster vindt dat zij onjuist is bejegend door de triagiste van verweerder. Ook vindt zij het onterecht dat er in de wachtkamer drie mensen voorgingen, terwijl zij met ernstige klachten wachtte.

De commissie heeft de geluidsopnamen beluisterd die zijn gemaakt van de gevoerde gesprekken met de triagiste. Hieruit is niet op te maken dat klaagster onjuist is bejegend. De telefonische afwikkeling was naar behoren en conform de NTS, de Nederlandse Triage Standaard. Vragen naar wat de hulpvraag is van een patiënt, is een gebruikelijke vraag. De vraag dient om te achterhalen wat de spoedeisendheid is bij klachten die er al langer zijn, waarom er op dat moment gebeld wordt naar een huisartsenpost en waarom niet gewacht kan worden op een consult bij de eigen huisarts. Dergelijke vragen dienen tevens om de urgentie te bepalen; kan het wachten, kan het telefonisch afgedaan worden, is een consult nodig, een visite of zelfs het sturen van een ambulance.
Bij een huisartsenpost, waar spoedzorg wordt verleend die niet kan wachten tot de volgende werkdag, worden patiënten niet geholpen op volgorde van binnenkomst. Zij worden geholpen op basis van urgentie, bepaald onder meer via de triage volgens de NTS. Het is daarom mogelijk dat patiënten die later binnenkomen, eerder worden geholpen. De commissie begrijpt dat het vervelend is geweest voor klaagster dat zij moest wachten, maar dit betekent niet dat haar klachten niet serieus zijn genomen. Dit betekent alleen dat er iemand voor haar was met een hogere urgentie. Ook uit het waarneembericht van de dienstdoende huisarts van verweerder kan de commissie niet opmaken dat de klachten van klaagster niet serieus zijn genomen. De commissie verklaart de klacht van klaagster ongegrond.

Datum uitspraak: 11-01-2021
Datum publicatie: 11-04-2021
Referentie: 20200068

20190131 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klachtonderdeel 1: Klaagster verwijt verweerder dat hij niet geluisterd heeft naar de patiënt en haar niet eerder heeft verwezen.
Vanaf mei 2016 bezoekt de patiënt verweerder regelmatig. Op 9 mei 2016 vindt een consult plaats, volgens het journaal is er dan sprake van purpura (niet wegdrukbare paarse vlekjes) op het rechter onderbeen. Verweerder gaat er dan vanuit dat dit van de zon komt, omdat de patiënt in de zon heeft gezeten die dag.
Verweerder verwijst de patiënt later naar de fysiotherapeut omdat zij last blijft houden van haar benen. Op 28 juni 2016 noteert verweerder in het journaal dat er nog steeds sprake is van purpura op het been van klaagster, hij noteert : “bekende purpura.” De commissie is van oordeel dat verweerder op dat moment niet had kunnen volstaan met constateren dat er nog steeds sprake was van purpura. Purpura kunnen wijzen op stollingsstoornissen. De commissie is van oordeel dat verweerder actie had moeten ondernemen naar aanleiding van deze purpura en niet had kunnen volstaan met de enkele constatering. Bij een dergelijke diagnose, dient er ook beleid op gemaakt te worden.
Daarna komt de patiënt in juli 2016 met andere klachten zoals moeheid, diarree, niet fit zijn en vallen. De commissie constateert dat de verslaglegging in het journaal summier is. Tijdens het eerste consult op 4 juli 2016 heeft de patiënt dan een week diarree. De patiënt wordt gerustgesteld. Op 6 juli 2016 komt de patiënt opnieuw naar het spreekuur. Geadviseerd wordt veel te drinken. Er vindt geen buikonderzoek plaats en er wordt ook geen bloeddruk gemeten. De NHG-standaard Acute Diarree schrijft voor dat de algemene toestand en de mate van ziek zijn beoordeeld moeten worden: koorts, sufheid, verwardheid, (neiging tot) flauwvallen (wijzend op ernstig ziekzijn/dehydratie). De algemene mate van ziekzijn is niet vastgelegd in het journaal. Verweerder stelt in zijn verweerschrift dat er sprake was van algehele malaise, dit blijkt echter niet uit het journaal. Ook moet zo nodig worden gekeken naar ademhaling, pols en bloeddruk. En vindt zo nodig beoordeling van het abdomen plaats. Er heeft tijdens de consulten geen volledig lichamelijk onderzoek plaatsgevonden, terwijl daar naar het oordeel van de commissie wel een indicatie voor was. De patiënt kwam ineens regelmatig naar het spreekuur. Zij maakte zich zorgen. Zij was gevallen. De commissie is van oordeel dat verweerder niet had kunnen volstaan met geruststelling en het advies veel te drinken, maar de patiënt in ieder geval beter had moeten onderzoeken. Het klachtonderdeel dat niet geluisterd is naar de patiënt en dat zij niet eerder is verwezen, is daarmee gegrond.
Klachtonderdeel 2: Klaagster verwijt verweerder dat het gesprek op 13 september 2018 slecht is verlopen. Nu deze klacht lastig feitelijk is te onderzoeken of verifiëren -het gaat om een persoonlijk gevoelde reactie waarbij partijen elkaar tegenspreken-, kan niet vastgesteld worden of verweerder verwijtbaar heeft gehandeld. Klachtonderdeel 2 is ongegrond.

Klaagster heeft een schadevergoeding gevorderd. Klaagster wordt in de gelegenheid gesteld haar schade nader te onderbouwen. De beslissing omtrent de gevorderde schade wordt aan gehouden.
Klaagster heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak een aanvullende reactie gegeven met betrekking tot de gevorderde schadevergoeding. Verweerder is in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Klaagster stelt dat door het te laat onderkennen van de ziekte van de patiënt, adequate behandeling achterwege is gebleven waarmee het overlijden voorkomen had kunnen worden. De schade die klaagster stelt te hebben geleden is materiële schade te weten de uitvaart- en grafkosten alsmede immateriële schade.

Wil schadevergoeding toegewezen kunnen worden, dan dient de gevorderde schade het gevolg te zijn van het –gegrond verklaarde- handelen van verweerder. Dit wordt het causale verband genoemd. Het is aan klaagster om dit voldoende onderbouwd aan te tonen. Klaagster vindt dat dit gebeurd is, maar verweerder heeft dit betwist. Bij het causale verband gaat het om een vergelijking van de nu bestaande situatie en de situatie waarin je het onjuiste handelen van de verweerder wegdenkt. Vervolgens dient dan de vraag te worden beantwoord of in dat laatste geval hetgeen als schade wordt gevorderd er niet zou zijn geweest. Gegrond verklaard is de klacht dat niet geluisterd is naar de patiënt en dat zij niet eerder is verwezen. De vraag die zich dan voordoet is: zou de patiënt bij voldoende luisteren en eerder verwijzen niet zijn overleden? Naar het oordeel van de commissie is dit onvoldoende komen vast te staan. Geenszins staat vast dat de dochter van klaagster een betere kans zou hebben gehad op overleven bij eerdere verwijzing. En als dit al wel zou komen vast te staan is een betere kans op overleven nog niet hetzelfde als daadwerkelijk overleven. Het verlies van een (betere) kans kan wel leiden tot schadevergoeding maar niet de schadevergoeding zoals nu gesteld en gevorderd. Daarmee is de materiële schade, enkel bestaande uit kosten verband houdende met het overlijden, niet toewijsbaar.

Klaagster baseert haar vordering van immateriële schade op het leed dat klaagster en haar echtgenoot lijden door het overlijden van hun dochter. Nabestaanden kunnen onder omstandigheden immateriële schadevergoeding vorderen die verband houdt met het overlijden. Zoals hiervoor echter is overwogen komt hier niet vast te staan dat dit overlijden het gevolg is van het gegrond verklaarde handelen van verweerder. Daarmee is een daarop gebaseerde immateriële schadevergoeding niet toe te wijzen.

Datum uitspraak: 12-10-2020
Datum publicatie: 11-04-2021
Referentie: 20190131

20200049 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager vindt dat er te laat is ingegrepen. Als klager direct medicatie had gekregen voor zijn bloeddruk en cholesterol, had het herseninfarct dat klager later kreeg kunnen worden voorkomen denkt hij.

Tijdens het consult heeft de dienstdoende huisarts van verweerder (een huisartsenpost) de klachten van klager onderzocht. Er heeft een anamnese plaatsgevonden en een lichamelijk onderzoek. Op dat moment werd geen verstoorde spraak geconstateerd, de dienstdoende huisarts vond ook geen neurologische afwijkingen en ook de zoon die tolkte gaf niet aan dat er bij klager sprake was van een verstoorde spraak.
Er is op dat moment geen objectiveerbare oorzaak gevonden voor de klachten. De uitkomsten van het onderzoek wezen niet op een CVA (beroerte). Klagers bloeddruk was hoog, echter niet zodanig hoog dat deze direct behandeld diende te worden. Er moest wel vervolgonderzoek plaatsvinden naar de bloeddruk, echter dit kon gebeuren door de eigen huisarts en dit hoefde niet direct te gebeuren op de huisartsenpost.
Als in de middag opnieuw gebeld wordt, zijn de klachten van klager nog hetzelfde. Er was om die reden geen noodzaak klager opnieuw te zien of om alsnog te denken aan een CVA. Vanwege de zorg van klager om de hoge bloeddruk besluit de dienstdoende huisarts in afwachting van een consult bij de eigen huisarts alvast enige bloeddrukmedicatie voor te schrijven. Het feit dat klager later die avond wel is opgenomen betekent niet dat de toestand van klager in de ochtend onjuist is beoordeeld. De door klager ingediende klacht over verweerders behandeling moet uitsluitend worden beoordeeld in het licht van wat er ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen aan verweerder bekend was en bekend kon zijn. Dit betekent dat bij de beoordeling van verweerders handelen in zoverre geen rekening kan worden gehouden met hetgeen na die behandeling bekend is geworden.

De commissie is van oordeel dat adequaat onderzoek heeft plaatsgevonden, er was daarnaast sprake van een goede verslaglegging in de waarneemberichten. Verder is er een goede follow-up afgesproken. De commissie verklaart de klacht van klager ongegrond.

Datum uitspraak: 11-02-2021
Datum publicatie: 11-04-2021
Referentie: 20200049

20200080 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster is van mening dat er door de huisarts zonder haar toestemming en zonder dat zij daarover geïnformeerd is, meer informatie is toegezonden aan het UWV dan strikt noodzakelijk was.

Verweerder heeft de machtiging gezien in combinatie met de uitgebreide vraagstelling door de verzekeringsarts van het UWV en gemeend zo volledig mogelijk te moeten zijn, om klaagster te helpen.

De commissie dient de vraag te beantwoorden of de informatie die door verweerder is verstrekt, te herleiden is tot de door klaagster afgegeven medische machtiging. In deze machtiging is toestemming gegeven voor het verstrekken van informatie over gordelroos, psychische klachten en rugklachten. De machtiging is daarbij leidend, daarin is aangegeven waarvoor klaagster toestemming heeft gegeven. De vraagstelling door de verzekeringsarts is daarin niet leidend: indien vragen gesteld worden die de machtiging te buiten gaan, is het niet toegestaan die informatie te verstrekken. De vraagstelling door de verzekeringsarts is heel breed en naar het oordeel van de commissie ook breder dan waarin de machtiging voorziet. Tevens is de commissie van oordeel dat bepaalde klachten zoals urineweginfecties, vaginale infecties, zwangerschap en zwangerschapsafbreking in redelijkheid niet zijn onder te brengen onder de noemer “rugklachten” zoals verweerder stelt. De commissie is van oordeel dat niet alle verstrekte informatie in redelijkheid terug te leiden is tot de verstrekte machtiging, terwijl die machtiging wel leidend is. Verweerder heeft ook een eigen verantwoordelijkheid om niet teveel informatie te verstrekken. Verweerder had gericht antwoord kunnen geven op vragen en had niet de gehele status uit het medisch dossier hoeven overleggen. Verweerder had, zoals hij zelf ook stelt, na het gereed maken van de door hem geschikt geachte informatie, kunnen verifiëren of klaagster zich hierin kon vinden. De commissie is van oordeel dat de klacht van klaagster gegrond is.

Datum uitspraak: 09-03-2021
Datum publicatie: 11-04-2021
Referentie: 20200080

20200045 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster verwijt verweerder dat hij geen juiste diagnose heeft gesteld tijdens het consult van 20 augustus 2018. Zij heeft daardoor schade geleden. Klaagster vindt dat met een bloedonderzoek eenvoudig een eventuele tekenbeet of een andere bacteriële vergiftiging had kunnen worden uitgesloten. Klaagster had veel ellende bespaard kunnen blijven, indien de ziekte van Lyme in een vroeg stadium zou zijn ontdekt.

Tijdens het consult van 20 augustus 2018 zijn de klachten van klaagster anders geworden dan bij eerdere consulten bij collega huisartsen van verweerder. Zij had minder pijn, maar zakte nu door haar been en had minder kracht in haar heup en knie. Ook had zij een dikke rechterknie. Klaagster stelt dat zij tijdens het consult heeft aangegeven dat zij zich zorgen maakte over een insectenbeet en dat verweerder gezegd heeft dat haar klachten pasten bij een doorgemaakte TIA. Verweerder ontkent dit. Ook het journaal maakt geen melding van een diagnose TIA of dat er gesproken is over de eerdere insectenbeet. Bij het beoordelen van het handelen van verweerder gaat de commissie uit van hetgeen is vastgelegd in het journaal. Het journaal is kort na de feitelijke consulten opgesteld en vormt daarmee een belangrijke bron voor hetgeen destijds heeft plaatsgevonden. De commissie heeft geen aanleiding om aan te nemen dat hetgeen verweerder heeft genoteerd in het journaal niet juist is.

Verweerder zag tijdens het consult geen aanwijzingen voor centrale neurologische uitval, schrijft hij in het journaal. Verweerder verwijst klaagster voor een diagnostisch consult naar de fysiotherapeut. Een diagnostisch consult heeft ten doel meer inzicht te krijgen in de oorzaak van de klachten, verweerder besteedt daarmee zijn eigen onderzoek uit aan de fysiotherapeut. Doel was te laten onderzoeken of de klachten veroorzaakt werden door de dikke knie, of een andere oorzaak hadden, zoals bijvoorbeeld een hernia. Pas als dergelijke oorzaken zijn uitgesloten, kan gedacht worden aan een neurologische oorzaak en aan Lyme. Door eerst andere oorzaken uit te sluiten, heeft verweerder gehandeld volgens de geldende richtlijnen. Pas als er sprake zou zijn van een radiculair beeld, zonder dat er sprake was van een hernia, zou bloedonderzoek zijn aangewezen. Verweerder was echter nog doende met het onderzoek naar de oorzaak van de klachten van klaagster en heeft daarmee gehandeld zoals van een goed hulpverlener mag worden verwacht. De commissie verklaart de klacht van klaagster ongegrond.

Datum uitspraak: 14-12-2020
Datum publicatie: 11-04-2021
Referentie: 20200045

20200038 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager vindt dat verweerster geen visite heeft afgelegd zoals was afgesproken, waardoor geen goede zorg is verleend en klager blijvende hersenschade heeft opgelopen.

Verweerster heeft, nadat klagers vriendin belde, geadviseerd een ambulance te bellen. Niet duidelijk was wat klager precies mankeerde. De vriendin kon het niet goed uitleggen en klager kwam zelf niet aan de telefoon. Een ambulance bellen is noodzakelijk als er sprake is van grote spoed en er niet gewacht kan worden op een visite, omdat het verstrijken van meer tijd kan zorgen voor schade. Het is de commissie niet gebleken op grond waarvan verweerster meende dat er sprake was van grote spoed waarvoor de komst van een ambulance noodzakelijk was. Ook is de commissie niet duidelijk waarom verweerster op een later moment niet zelf is gaan kijken bij klager, zij zat immers al in de auto. In het journaal is geen differentiaal diagnose opgenomen en is daarmee niet te beoordelen aan welke diagnosen verweerster dacht.

Als verweerster al op juiste gronden heeft ingeschat dat het bellen van een ambulance noodzakelijk was, omdat er geen tijd meer te verliezen was, dan is het in elk geval noodzakelijk dat verweerster daarna zelf een visite aflegde nadat bleek dat de ambulance medewerkers klager niet naar het ziekenhuis hadden gebracht. Klager was op leeftijd en was een zeer kwetsbare patiënt. Er was echter sprake van onduidelijke klachten. De commissie is dan ook van oordeel dat verweerster vanuit het oogpunt van goede zorg, zelf poolshoogte had moeten nemen. De klacht van klager is gegrond en verweerster wordt veroordeeld tot terugbetaling van het betaalde griffierecht. De commissie merkt nog op dat indien verweerster wel een visite had afgelegd, daarmee niet is gezegd dat klager op dat moment naar het ziekenhuis zou zijn verwezen, dan wel dat een CVA te voorkomen zou zijn geweest. De commissie kan niet vaststellen dat het ziektebeloop dan anders zou zijn geweest.

Datum uitspraak: 26-11-2020
Datum publicatie: 08-04-2021
Referentie: 20200038

20200088 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager verwijt verweerder 1. dat hij op 26 augustus 2019 en 9 maart 2020 niet de juiste diagnose heeft gesteld waardoor klager onnodig lang met fysieke en psychische klachten heeft rondgelopen; 2. dat hij geen excuses voor zijn handelen wil aanbieden vanwege het feit dat klager homoseksueel is en ter onderbouwing hiervan kwetsende woorden heeft gebruikt. Klager vordert zijn eigen bijdrage ad. € 596,97 die hij heeft moeten betalen vanwege de doorverwijzing naar een kliniek op grond van de onjuiste diagnose, op verweerder terug.
Bij het beoordelen van het handelen van verweerder gaat de commissie uit van hetgeen is vastgelegd in het journaal (lees: dossier) van de huisarts, tenzij er redenen zijn om aan de juistheid daarvan te twijfelen.
Klachtonderdeel 1
De commissie oordeelt dat verweerder zorgvuldig heeft gehandeld tijdens het eerste consult op 26 augustus 2019. Na lichamelijk onderzoek was het vermoeden dat klager last had van aambeien. Verweerder schreef Movicolon voor om de ontlasting soepeler te maken. Onweersproken is dat verweerder klager advies gaf om bij aanhoudende klachten terug te komen. Het journaal vermeldt niet dat er gesproken is over het feit dat klager homoseksueel is. Verweerder vermeldt evenmin dat hierover is gesproken met klager. De commissie gaat op basis hiervan ervan uit dat de seksuele geaardheid van klager tijdens het eerste consult van 26 augustus 2019 niet is besproken. Op 9 maart 2020 kwam klager opnieuw naar het spreekuur van verweerder met klachten van roodheid van de eikel en aanhoudend rectaal bloedverlies. Verweerder vroeg klager expliciet of hij onveilige anale seks had gehad, klager ontkende dit. Verweerder heeft vervolgens een orale en urine soa test laten doen. Hoewel verweerder volgens de commissie ook kunnen overwegen in dit geval een anale swab af te nemen, heeft hij naar het oordeel van de commissie gehandeld binnen het kader van een redelijk handelend en redelijk bekwaam huisarts. Voor het rectale bloedverlies is klager terecht doorverwezen voor een coloscopie om andere ernstige diagnoses uit te sluiten. De commissie acht dit klachtonderdeel ongegrond.
Klachtonderdeel 2
De commissie baseert zich bij haar beoordeling van dit klachtonderdeel niet op het uitgangspunt dat het woord van klager minder geloof verdient dan dat van verweerder, maar op het gegeven dat moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag liggen. Deze feiten heeft commissie hier niet vast kunnen stellen. Dit alles in ogenschouw genomen, is de commissie van oordeel dat dit klachtonderdeel van ongegrond is.
Nu het geschil ongegrond is verklaard, komt de commissie niet toe aan een beoordeling van de gevorderde schade.

Datum uitspraak: 10-02-2021
Datum publicatie: 03-03-2021
Referentie: 20200088

20200081 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster verwijt verweerster in de kern samengevat 1. dat zij geen goede medische zorg heeft geleverd, haar klachten niet serieus heeft genomen en weinig empathie heeft getoond; 2. dat zij niet heeft voldaan aan haar verzoek om een afschrift van het medisch dossier aan haar te overhandigen.
Deze casus speelt zich af in een periode dat iedere zorginstelling, waaronder de huisartsenpraktijken, genoodzaakt werden om stringente maatregelen te treffen tegen de verspreiding van COVID-19. De LHV, de KNMG en het NHG hebben richtlijnen/adviezen opgesteld om een zo veilig mogelijke zorg te kunnen bieden. In deze context moeten de klachten van klaagster worden beoordeeld.
Klachtonderdeel 1
Naar het oordeel van de commissie heeft verweerster de klachten van klaagster tijdens de contactmomenten op 17, 22, 23, 24 en 25 juni 2020 overeenkomstig de standaarden Eczeem en Bacteriële infecties behandeld. De commissie begrijpt dat het voor klaagster vervelend was in eerste instantie niet voor een ‘live’ consult te worden uitgenodigd maar verweerster heeft daarmee conform de richtlijnen van de LHV, KNMG en NHG gehandeld. Bovendien lenen dermatologische aandoeningen zich over het algemeen goed voor een beoordeling op afstand. Verweerster heeft de klachten van klaagster naar het oordeel van de commissie telkens serieus genomen en haar behandeling op afgestemd. Toen verweerster op 25 juni 2020 constateerde dat haar behandeling niet het gewenste resultaat had, heeft zij klaagster – na overleg met de chirurg - direct doorverwezen naar het ziekenhuis. Hiermee heeft zij gehandeld zoals mag worden verwacht van een redelijk handelend en redelijk bekwaam huisarts. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel 2
Gezien de omstandigheid dat verweerster vruchteloos aan klaagster heeft verzocht om met haar advocaat bij haar langs te komen om (delen van) het dossier te verstrekken, in samenhang met het verzoek van klaagster om toezending van het dossier aan haar nieuwe huisarts tijdens de vakantie van verweerster, als ook de lopende klacht die klaagster tegen verweerster had ingesteld waartegen zij zich moest kunnen verweren op basis van dat dossier, komt de commissie tot het oordeel dat de toezending langer heeft geduurd dan in de KNMG richtlijn ‘omgaan met medische gegevens’, gestelde termijn van een maand. Echter de commissie is van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden die relatieve korte duur van de overschrijding is te billijken. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Datum uitspraak: 16-02-2021
Datum publicatie: 02-03-2021
Referentie: 20200081

20200032 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster verwijt verweerder dat hij haar niet zorgvuldig heeft behandeld en dat met een bloedonderzoek eenvoudig een eventuele tekenbeet of een andere bacteriële vergiftiging had kunnen worden uitgesloten. Klaagster had veel ellende bespaard kunnen blijven, indien de ziekte van Lyme in een vroeg stadium zou zijn ontdekt.
Naar het oordeel van de commissie heeft verweerder gehandeld zoals van hem verwacht kon worden bij het klachtenpatroon van klaagster. Hij heeft haar onderzocht, de plek van de insectenbeet afgetekend, zalf voorgeschreven en een controleafspraak gemaakt. Verweerder had klaagster onder deze omstandigheden en volgens de geldende richtlijnen niet hoeven verwijzen voor bloedonderzoek. De commissie verklaart de klacht van klaagster ongegrond.

Datum uitspraak: 16-12-2020
Datum publicatie: 23-12-2020
Referentie: 20200032

20200039 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster verwijt verweerder dat hij haar niet zorgvuldig heeft behandeld. Klaagster vindt dat met een bloedonderzoek eenvoudig een eventuele tekenbeet of een andere bacteriële vergiftiging had kunnen worden uitgesloten. Klaagster had veel ellende bespaard kunnen blijven, indien de ziekte van Lyme in een vroeg stadium zou zijn ontdekt.

Nadat klaagster tijdens haar vakantie twee keer was gezien door een huisarts aldaar, kwam klaagster bij verweerder. Zij had pijn in haar rechterbeen. Het journaal vermeldt dat klaagster “1 week daarvoor last gehad in dit been van een daas maar dat was al een week over.” De pijn in het onderbeen trekt door tot de bil. Verweerder onderzoekt klaagster, er is sprake van een soepele kuit en hij adviseert rust en paracetamol en terugkomen als de klachten niet verbeteren. Klaagster stelt dat zij tijdens het consult juist niet heeft aangegeven dat zij was hersteld van de insectenbeet noch dat de klachten inmiddels waren verdwenen. Het journaal van verweerder vermeldt anders. Bij het beoordelen van het handelen van verweerder gaat de commissie uit van hetgeen is vastgelegd in het journaal. Het journaal is kort na de feitelijke consulten opgesteld en vormt daarmee een belangrijke bron voor hetgeen destijds heeft plaatsgevonden. De commissie heeft geen aanleiding om aan te nemen dat hetgeen verweerder heeft genoteerd in het journaal niet juist is.

De symptomen waarmee klaagster op het spreekuur kwam zijn geen symptomen die wijzen op Lyme. Eerder kan gedacht worden aan een radiculair beeld, zoals een zenuw die bekneld is. Er was daarom geen reden voor bloedonderzoek, nu er geen sprake was van klinische verschijnselen die mogelijk zouden kunnen wijzen op Lyme. Het door verweerder ingezette afwachtende beleid was daarom begrijpelijk, waarbij een follow-up werd afgesproken voor als de klachten niet zouden verbeteren. De commissie verklaart de klacht van klaagster ongegrond.

Datum uitspraak: 16-12-2020
Datum publicatie: 23-12-2020
Referentie: 20200039

20190141 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster heeft aangegeven dat de patiënt wil wisselen van huisarts, verweerder weigert dit. Daarnaast is zij van mening dat de kwaliteit van zorg voor de patiënt tekort schiet.

Klaagster heeft als ex-partner van de patiënt en diens mantelzorger, op grond van de WKKGZ geen zelfstandig klachtrecht. Klaagster stelt dat zij optreedt namens de patiënt en heeft daartoe ook een door de patiënt ondertekende machtiging overgelegd. Verweerder stelt dat de wil van de patiënt een klacht in te dienen jegens verweerster in twijfel moet worden getrokken. Verweerder geeft aan dat de patiënt niet meer weet wat hij ondertekent. Ook heeft verweerder niet van de patiënt zelf gehoord dat hij een klacht wenst in te dienen jegens hem.

Tijdens de procedure is vast komen te staan dat voor de patiënt bewindvoering is ingesteld. Dat de patiënt onder bewind is gesteld betekent niet dat hij geen klachtrecht meer heeft. Bewindvoering ziet op het beheer van de financiën en bezittingen van een persoon. Daarmee staat echter wel vast dat de patiënt niet meer in staat is zijn vermogensrechtelijke positie zelf waar te nemen. Daarnaast is de diagnose dementie gesteld door verweerder. Deze diagnose is weliswaar niet bevestigd door een andere specialist, er is echter wel een casemanager dementie aangesteld. Het aanstellen van een dergelijke casemanager maakt aannemelijk dat er daadwerkelijk sprake is van dementie. Naast bewindvoering is er ook een traject opgestart om een mentor aan te stellen voor de patiënt. Ook dit wijst er op dat de patiënt niet goed meer in staat is zijn wil te bepalen. Uit dit alles blijkt naar het oordeel van de commissie voldoende dat er sprake is van dementie bij de patiënt. In onderhavige procedure is niet gebleken dat het de patiënt duidelijk was dat de machtiging diende om een klacht jegens verweerder in te dienen en dat hij het daarmee eens was. De commissie acht het aannemelijk dat de patiënt niet meer beschikte over de voor het indienen van de klacht vereiste wilsbekwaamheid. De commissie verklaart de klacht van klaagster niet ontvankelijk en komt daarmee niet toe aan een inhoudelijke behandeling van de klacht.

Datum uitspraak: 18-08-2020
Datum publicatie: 23-12-2020
Referentie: 20190141

20200018 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Verweerder voert aan dat de klacht van klaagster is verjaard, omdat zij al vanaf 2013 wist dat er sprake was van verminderde haargroei. De commissie acht het voldoende aannemelijk dat klaagster eerst ten tijde van haar diagnostische fase en real-life als transgender vrouw in 2017 bekend is geworden met het door haar gestelde nalatig handelen. De commissie zal de klacht daarom inhoudelijk beoordelen.

Klaagster verwijt verweerder dat hij niet adequaat heeft gereageerd op het haarverlies van klaagster en haar geen finasteride heeft voorgeschreven.

De commissie stelt vast dat de NHG-behandelrichtlijn Alopecia dateert van mei 2017. Dat houdt in dat deze richtlijn nog niet geldend was tijdens de consulten van 2013 en van januari 2017.

In 2013 werd bij de behandeling van alopecia androgenetica terughoudend omgegaan met het voorschrijven van finasteride. Wat verweerder klaagster heeft verteld over finasteride past daarom ook in de toen geldende stand van de wetenschap. Verweerder heeft bovendien niet geweigerd finasteride voor te schrijven, hij heeft klaagster geïnformeerd over hoe er op dat moment werd omgegaan met het voorschrijven van het middel. Toen klaagster in 2017 terugkwam bij verweerder met vragen over finasteride, heeft verweerder haar uitgenodigd voor het spreekuur. Klaagster heeft vervolgens gewacht tot 2018 voor zij daadwerkelijk terug ging naar verweerder. Inmiddels was er sprake van een transitie en heeft verweerder alle medewerking verleend aan het voorschrijven van finasteride, het verwijzen naar de dermatoloog en het verlenen van medewerking aan het verkrijgen van een haarwerk. De commissie is van oordeel dat door verweerder niet onzorgvuldig is gehandeld en verklaart de klacht van klaagster ongegrond.

Datum uitspraak: 19-10-2020
Datum publicatie: 23-12-2020
Referentie: 20200018

20200014 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster vindt dat de dienstdoende huisarts van verweerder een katheter te ruw heeft geplaatst waardoor een gaatje in de blaas is ontstaan, waaraan de patiënt uiteindelijk is overleden. De commissie kan niet vaststellen of het inbrengen van de katheter te ruw is gebeurd, gelet op de wederzijdse standpunten van klaagster en verweerder. De commissie kan wel vaststellen dat er die dag geen gaatje in de blaas is veroorzaakt door de dienstdoende huisarts. De patiënt is de dag erna opgenomen in het ziekenhuis. Uit de ontslagbrief van de uroloog blijkt dat er bij deze opname geen sprake was van een gaatje in de blaas. De commissie verklaart klachtonderdeel 1 ongegrond.

Klaagster vindt dat de patiënt naar het ziekenhuis vervoerd had moeten worden per ambulance. De commissie is van oordeel dat zowel op 4 als op 10 augustus 2019 vervoer per ambulance op zijn plaats was geweest. Op 4 augustus 2019 wordt gesteld dat de patiënt hemodynamisch stabiel was, hetgeen voor de commissie echter niet vast te stellen is omdat het onderzoek hiernaar niet is vastgelegd in het waarneembericht. Op 10 augustus 2019 was sprake van een chaotische situatie, waarbij niet goed duidelijk was wie de regie had. Er was sprake van onrust, het ziekenhuis ligt niet op korte afstand en klaagster is op leeftijd. Verweerder geeft zelf ook aan dat het bellen van een ambulance achteraf bezien beter was geweest. De commissie verklaart klachtonderdeel 2 van klaagster gegrond.

Datum uitspraak: 30-11-2020
Datum publicatie: 23-12-2020
Referentie: 20200014

20200043 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Verweerder heeft de klachten van klaagster niet serieus genomen en geen röntgenfoto gemaakt vindt klaagster.
De commissie is van oordeel dat verweerder tijdens beide consulten die hebben plaatsgevonden conform de NHG Standaard Acuut hoesten heeft gehandeld. Zelfs indien er tijdens het consult van 26 februari 2019 al sprake was van een longontsteking, dan is het missen van die diagnose niet verwijtbaar aan verweerder. Hij heeft klaagster zorgvuldig onderzocht en het journaal goed bijgehouden. Verweerder heeft conform de Standaard Acuut hoesten gehandeld en de daarin genoemde onderzoeksmethode en behandelwijze uitgevoerd. Aldus heeft hij naar het oordeel van de commissie als een goed hulpverlener gehandeld. De commissie verklaart de klacht van klaagster ongegrond.

Datum uitspraak: 10-11-2020
Datum publicatie: 23-12-2020
Referentie: 20200043

20200034 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager heeft overdracht – de commissie begrijpt: inzage of een afschrift- verzocht van het medisch dossier van zijn eind 2019 overleden vader (hierna: de patiënt) teneinde hierin mogelijke aanknopingspunten te vinden om een op 15 december 2016 verleden testament aan te vechten. Verweerster heeft dit geweigerd. Het geschil is hierin gelegen dat klager meent dat verweerster ten onrechte heeft geweigerd.

Niet in geschil is dat de patiënt geen toestemming heeft gegeven voor inzage, of afgifte van zijn medisch dossier aan klager. Er is dan ook in beginsel sprake van een geheimhoudingsplicht.

De enkele mogelijkheid dat klager (financieel) nadeel lijdt als gevolg van het testament en daardoor mogelijk in zijn belang is geschaad, is naar vaste rechtspraak onvoldoende grond om de geheimhoudingsplicht te doorbreken. Vereist is ook dat er concrete aanwijzingen bestaan dat de patiënt inderdaad niet in staat was zijn wil te bepalen ten tijde van het opstellen van het testament en dat de gewenste informatie niet langs andere weg verkregen kan worden.
Verweerster heeft de inzage niet geweigerd op basis van een door haar beoordeeld onvoldoende zwaarwegend belang. Verweerster voert met name aan dat de gewenste informatie over de mogelijke wilsonbekwaamheid langs andere, minder ingrijpende, weg verkregen kan worden. Daarbij kan gedacht worden aan getuigenverklaringen, al dan niet via een voorlopig getuigenverhoor bij de rechter, van de notaris, de thuiszorgmedewerkers en andere bij de patiënt betrokkenen. Niet is gebleken dat klager in een daadwerkelijke procedure om het testament aan te vechten in bewijsnood is gekomen.
Het tegendeel blijkt uit de stellingen van klager dat hij reeds beschikt over andere stukken, zoals een deel van het medisch dossier afkomstig uit een ziekenhuis waar de patiënt eerder verbleef en een rapportage van de thuiszorg. Daarnaast is klager kennelijk op de hoogte van de uitslag van testen in de relevante periode. Ook hiervan is niet gebleken dat klager in bewijsnood is gekomen. Mocht dit aantoonbaar –via een tussenuitspraak van de rechter- wel het geval zijn, zou dit een omstandigheid zijn die bij de weging van verweerster betrokken zou dienen te worden. Nu niet onderbouwd gesteld is dat dit zich reeds voordeed op het moment waarover geklaagd wordt kan dit echter nu niet leiden tot een toewijzing van de klacht.

Datum uitspraak: 14-12-2020
Datum publicatie: 23-12-2020
Referentie: 20200034

20200001 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager verwijt verweerder dat de behandelend arts 5 mei 2018 inadequaat heeft gehandeld door geen malariatest af te nemen, terwijl hij symptomen van malaria had en uit een malariagebied afkomstig is. Klager stelt verweerder aansprakelijk voor de kosten van de later noodzakelijke ziekenhuisopname.
De commissie heeft eerder in de tussenuitspraak van 10 augustus 2020 de klacht gegrond verklaard. Voor de beoordeling of er voldoende causaal verband bestaat tussen de tekortschietende behandeling op 5 mei 2018 en de noodzaak van de ziekenhuisopname van klager op 8 mei 2018 met de door klager gestelde schade, heeft de commissie vragen gesteld aan een deskundige.
Voldoende staat vast dat bij een malariatest en een behandeling door verweerder op 5 mei 2018 de kans op een opname in het ziekenhuis zou zijn verkleind. De opname is naar het oordeel van de commissie echter geen direct gevolg van de tekortschietende behandeling.
Volgens de deskundige is de mate van verslechtering van de ziekte als gevolg van de ontoereikende behandeling niet goed vast te stellen. Dat de ziekenhuisopname voorkomen had kunnen worden heeft de deskundige niet bevestigd. Verder heeft verweerder klager geadviseerd om zo nodig terug te komen. Ook heeft klager niet toegelicht waarom zijn huisarts hem na de positieve malariatest op 7 mei 2018 niet direct naar het ziekenhuis heeft ingestuurd. Tenslotte heeft klager onvoldoende duidelijk gemaakt waarom de ziekenhuisopname noodzakelijk was.
De commissie heeft begrip voor de lastige situatie waarin klager zich bevond en bevindt, maar een toereikend causaal verband tussen de tekortschietende behandeling en de opnamekosten is niet vast te stellen. De gevorderde schadevergoeding wordt daarom afgewezen.

Datum uitspraak: 26-11-2020
Datum publicatie: 23-12-2020
Referentie: 20200001

20200003 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Het standpunt van klager dat (de triagiste en dienstdoende huisarts van) verweerder signalen van huiselijk geweld niet volgens de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling hebben afgewikkeld wordt niet weersproken door verweerder. Daarmee acht de commissie de klachtonderdeel 1 van klager gegrond.

Verweerder is vervolgens alsnog overgegaan tot het doen van een melding aan Veilig Thuis (VT). Klager vindt dat verweerder daarnaast ook een gesprek aan had moeten gaan met de moeder van zijn zoon. Een gesprek met betrokkenen is een van de stappen uit de meldcode, alvorens over te gaan tot een melding, vindt klager. Volgens verweerder wordt, omdat verweerder een spoedpost is, een dergelijk gesprek gevoerd wordt door VT en niet door de spoedpost.
Het stappenplan van de Meldcode gaat uit van meerdere contacten met een patiënt. Dat ligt anders bij eenmalige contacten zoals op een huisartsenpost of spoedeisende hulp, het is dan niet mogelijk alle stappen te zetten. Een huisartsenpost dient dan ook een Meldcode te implementeren die specifiek ingaat op de te zetten stappen bij een eenmalig contact. Dat kan bijvoorbeeld door de vervolgstappen in handen te leggen van de eigen huisarts of VT. De commissie is niet bekend met hoe verweerder de Meldcode heeft geïmplementeerd in de eigen organisatie. Het voeren van gesprekken door (een dienstdoende huisarts van) verweerder is naar het oordeel van de commissie echter niet de taak van verweerder. Klachtonderdeel 2 van klager is ongegrond.

Datum uitspraak: 18-08-2020
Datum publicatie: 23-12-2020
Referentie: 20200003

20200045 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster verwijt verweerder dat hij geen juiste diagnose heeft gesteld. Klaagster vindt dat met een bloedonderzoek eenvoudig een eventuele tekenbeet of een andere bacteriële vergiftiging had kunnen worden uitgesloten. Klaagster had veel ellende bespaard kunnen blijven, indien de ziekte van Lyme in een vroeg stadium zou zijn ontdekt.

Tijdens het consult bij verweerder zijn de klachten van klaagster anders geworden dan bij eerdere consulten bij collega huisartsen. Zij had minder pijn, maar zakte nu door haar been en had minder kracht in haar heup en knie. Ook had zij een dikke rechterknie. Klaagster stelt dat zij tijdens het consult heeft aangegeven dat zij zich zorgen maakte over een insectenbeet en dat verweerder gezegd heeft dat haar klachten pasten bij een doorgemaakte TIA. Verweerder ontkent dit. Ook het journaal maakt geen melding van een diagnose TIA of dat er gesproken is over de eerdere insectenbeet.

Bij het beoordelen van het handelen van verweerder gaat de commissie uit van hetgeen is vastgelegd in het journaal. Het journaal is kort na de feitelijke consulten opgesteld en vormt daarmee een belangrijke bron voor hetgeen destijds heeft plaatsgevonden. De commissie heeft geen aanleiding om aan te nemen dat hetgeen verweerder heeft genoteerd in het journaal niet juist is.

Verweerder zag tijdens het consult geen aanwijzingen voor centrale neurologische uitval, schrijft hij in het journaal. Verweerder verwijst klaagster voor een diagnostisch consult naar de fysiotherapeut. Een diagnostisch consult heeft ten doel meer inzicht te krijgen in de oorzaak van de klachten, verweerder besteedt daarmee zijn eigen onderzoek uit aan de fysiotherapeut. Doel was te laten onderzoeken of de klachten veroorzaakt werden door de dikke knie, of een andere oorzaak hadden, zoals bijvoorbeeld een hernia. Pas als dergelijke oorzaken zijn uitgesloten, kan gedacht worden aan een neurologische oorzaak en aan Lyme. Door eerst andere oorzaken uit te sluiten, heeft verweerder gehandeld volgens de geldende richtlijnen. Pas als er sprake zou zijn van een radiculair beeld, zonder dat er sprake was van een hernia, zou bloedonderzoek zijn aangewezen. Verweerder was echter nog doende met het onderzoek naar de oorzaak van de klachten van klaagster en heeft daarmee gehandeld zoals van een goed hulpverlener mag worden verwacht. De commissie verklaart de klacht van klaagster ongegrond.

Datum uitspraak: 16-12-2020
Datum publicatie: 22-12-2020
Referentie: 20200045

20200007 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager verwijt verweerder dat hij niet de juiste diagnose heeft gesteld en hem te laat heeft doorverwezen naar een specialist. Hierdoor is er geen adequate behandeling meer mogelijk en heeft hij chronische pijnklachten. Klager vindt een behandeling in Polen noodzakelijk en stelt verweerder aansprakelijk voor de kosten.
Bij het beoordelen van het handelen van verweerder is het journaal voor de commissie een belangrijk oriëntatiepunt, tenzij blijkt dat dat onjuistheden bevat. Op 5 juni 2014 stelde verweerder op geleide van de klachten van klager de diagnose piriformis syndroom links. Klager werd doorverwezen naar de fysiotherapeut. Verweerder heeft onweersproken onderbouwd dat bij het piriformis syndroom vaak spontaan herstel optreedt. Na een toename van de klachten werd klager op 4 augustus 2014 doorverwezen naar de neuroloog, die klager voor zijn heupklachten doorverwees naar de orthopeed. De orthopeed bevestigde de diagnose van verweerder. De commissie is van oordeel dat verweerder zorgvuldig heeft behandeld en acht de klacht ongegrond. De beoordeling van de gevorderde schade kan achterwege blijven.

Datum uitspraak: 04-08-2020
Datum publicatie: 03-11-2020
Referentie: 20200007

20200024 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster verwijt verweerder dat hij de gezondheidsklachten van haar moeder onvoldoende serieus heeft genomen. Als gevolg hiervan werd de diagnose alvleesklierkanker te laat gesteld, waardoor behandeling niet meer mogelijk was.
Uit het onweersproken journaal van verweerder blijkt dat de moeder van klaagster tussen 8 oktober 2018 en 14 oktober 2019 regelmatig consulten bij verweerder heeft gehad. Zij was bekend met COPD en hartproblemen, naast andere aandoeningen. Waar nodig heeft verweerder (aanvullend) onderzoek verricht. Er waren geen signalen die op alvleesklierkanker wezen. Op 14 oktober 2019 bezocht de moeder van klaagster het spreekuur van de collega van verweerder met klachten van andere aard. Dat gaf aanleiding voor bloedonderzoek, waaruit bleek dat de leverfunctie ernstig was verstoord. Na aanvullend onderzoek werd alvleesklierkanker vastgesteld. Klaagster erkent dat alvleesklierkanker een lastig te stellen diagnose is.
De commissie heeft er begrip voor dat de diagnose voor de moeder van klaagster en haar familie een schok heeft betekend en dat zij weinig tijd hadden om afscheid te nemen. Naar het oordeel van de commissie heeft verweerder echter met de toenmalige kennis zorgvuldig gehandeld. De klacht is ongegrond.

Datum uitspraak: 13-08-2020
Datum publicatie: 29-10-2020
Referentie: 20200024

20200027 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster verwijt verweerder: 1) dat hij ondanks haar verzoek haar dossier niet heeft vernietigd; 2) dat er onjuiste aantekeningen in haar dossier staan; 3) dat hij ziektekosten bij haar zorgverzekeraar heeft gedeclareerd terwijl zij bij zijn praktijk was uitgeschreven.
Ad 1. Relevant is art. 7: 455 Burgerlijk Wetboek en de richtlijn van de KNMG ‘Omgaan met medische gegevens’. Het recht om te vernietigen geldt voor gegevens die de arts in het kader van zijn dossierplicht heeft opgeslagen. Klaagster heeft op 4 december 2017 en 13 december 2019 verzocht om vernietiging van haar volledige (medische en farmaceutisch) dossier. Verweerder heeft haar het verschil uitgelegd tussen vernietigen en verwijderen van gegevens. Toen klaagster op 13 december 2019 vroeg om vernietiging van haar volledige dossier, heeft verweerder haar verzoek doorgegeven aan de leverancier van het IT-systeem. Hij heeft de leverancier laten weten dat klaagster haar farmaceutisch dossier niet wilde laten vernietigen. Naar het oordeel van de commissie heeft verweerder zorgvuldig gehandeld; het klachtonderdeel is ongegrond.
Ad 2. Klaagster heeft ervoor gekozen om haar dossier te laten vernietigen. Verweerder voert naar het oordeel van de commissie terecht aan dat hij zich op dat punt niet kan verweren. De commissie acht dit klachtonderdeel ongegrond.
Ad 3. Verweerder heeft uiteengezet dat de twee declaraties om administratieve redenen bij de zorgverzekeraar van klaagster zijn ingediend. Hij heeft de bedragen terugbetaald. Klaagster heeft niet onderbouwd wel belang zij bij de klacht heeft. De commissie is van oordeel dat verweerder zorgvuldig heeft gehandeld; het klachtonderdeel is ongegrond.

Datum uitspraak: 01-09-2020
Datum publicatie: 29-10-2020
Referentie: 20200027

20200026 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

De klachten van klager die zich tegen zijn ex-echtgenote en tegen andere instellingen en zorgaanbieders dan verweerder richten, vallen buiten de bevoegdheid van de commissie. De kernvraag is of verweerder als een goed en zorgvuldig hulpverlener jegens klager heeft gehandeld, beoordeeld naar het moment van zijn handelingen. De commissie onderscheidt daarin de volgende klachtonderdelen.
1) Verweerder heeft geen juiste kwalificatie van de problemen van klager gegeven met als gevolg dat hij naar de verkeerde instanties werd doorverwezen; 2) Verweerder heeft zijn patiëntendossier niet op orde; 3) Verweerder heeft klager zijn keuzevrijheid voor een zorgaanbieder ontnomen door hem te verzoeken een andere zorgaanbieder te zoeken.
Ad 1. Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij zorgvuldig manoeuvreerde tussen de behandelrelatie met klager en die met zijn ex-partner, waarbij hij ook oog had voor de belangen van de kinderen. Klager kon niet verwachten dat verweerder alleen hem zou steunen in zijn verwijten aan zijn ex-partner. Naar het oordeel van de commissie heeft verweerder in deze gepolariseerde, ingewikkelde situatie als een zorgvuldig hulpverlener jegens klager gehandeld. Zij acht dit klachtonderdeel ongegrond.
Ad 2. De commissie oordeelt dat verweerder uitgebreid en gedetailleerd notities heeft gemaakt van de contacten met klager, deze zijn deels gebaseerd op inlichtingen van GGZ-specialisten. Klager heeft onvoldoende onderbouwd en betwist dat er ongegronde informatie dan wel valse verklaringen in zijn dossier zijn opgenomen. Het klachtonderdeel is ongegrond.
Ad 3. Klager heeft meerdere malen kenbaar gemaakt dat hij geen vertrouwen meer had in het handelen van verweerder. Verweerder heeft de behandelrelatie niet beëindigd, maar klager slechts gewezen op de mogelijkheid om een andere huisarts te zoeken. Naar het oordeel van de commissie mocht verweerder dit in redelijkheid doen. Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.

Datum uitspraak: 19-10-2020
Datum publicatie: 29-10-2020
Referentie: 20200026

20200016 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager verwijt verweerder dat hij op 22 augustus en 3 september 2018 de diagnose hernia heeft gemist. Klager is vervolgens op eigen initiatief naar een ziekenhuis in [Land] gegaan en werd daar met spoed geopereerd. Als gevolg van het missen van de diagnose heeft hij restklachten. Klager stelt verweerder aansprakelijk voor de kosten van de behandeling minus het door zijn zorgverzekeraar betaalde bedrag.
Naar het oordeel van de commissie heeft verweerder over de consulten in het journaal onvoldoende notities gemaakt. Een adequate dossiervoering is nodig voor de kwaliteit en continuïteit van zorg Anders dan opgenomen in de NHG-Richtlijn LRS heeft verweerder niet vastgelegd waarop hij klager heeft bevraagd en wat hij bij lichamelijk onderzoek heeft aangetroffen. Ook staat niet vermeld dat hij klager heeft geïnformeerd over het ingezette beleid.
Verweerder heeft klager op 28 augustus 2018 met een telefonisch consult doorverwezen voor een MRI. Op 3 september 2018 heeft verweerder klager tijdens een telefonisch consult morfine voorgeschreven. Naar het oordeel van de commissie had verweerder daarin zorgvuldiger moeten handelen door klager toen voor een consult uit te nodigen, of op huisbezoek te gaan als klager niet mobiel was.
Volgens het journaal heeft klager verweerder op 12 september 2018 laten weten dat er een hernia was gevonden en dat klager zelf op zoek ging naar een kliniek. Op 17 september 2018 liet klager weten dat hij in [plaats buitenland] geopereerd zou worden. Naar het oordeel van de commissie was verweerder de behandelend arts en kon hij daarin niet passief blijven, ook al voerde de patiënt zelf veel regie van de behandeling . In de eerste plaats noemt de Richtlijn expliciet dat de arts begeleiding behoort te bieden. In de tweede plaats kan er reden zijn om in gevallen van ernstige pijn en immobiliteit van de Richtlijn af te wijken. De klacht is gegrond.
De commissie wijst de schadevordering van klager af. Verweerder kan niet worden verweten dat op grond van de verzekeringspolis van klager de kosten van de operatie niet volledig worden vergoed. Bovendien heeft klager nagelaten om de hulp van verweerder of een waarnemend huisarts in te roepen voor een spoedindicatie in Nederland.

Datum uitspraak: 20-10-2020
Datum publicatie: 29-10-2020
Referentie: 20200016

20200004 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager is van mening dat verweerster stelselmatig geweigerd heeft zorg te verlenen aan klager. Hij vindt dat verweerster haar zorgplicht schaadt.

Verweerster heeft in november 2017 de verwijzing naar de KNO-arts in het [naam ziekenhuis] in orde gemaakt. Dat het ziekenhuis vervolgens beslist, ook na bellen hierover door verweerster, dat klager een half jaar dient te wachten, is niet verwijtbaar aan verweerster. Het advies om wachtlijstbemiddeling via de zorgverzekeraar in te schakelen, is een juist advies geweest.

Klager heeft in januari 2018 gevraagd om een fit to fly verklaring aan verweerster. Verweerster heeft dit geweigerd met een beroep op de voor haar geldende richtlijnen van de KNMG (Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst). Een geneeskundige verklaring is een schriftelijke verklaring die een oordeel bevat over een patiënt en diens (medische) geschiktheid of ongeschiktheid om bepaalde dingen wel of niet te kunnen. Zulke geneeskundige verklaringen mogen alleen worden afgegeven door een onafhankelijke arts, dus niet de ‘eigen’ dokter. Een behandelend arts moet zich kunnen concentreren op de behandeling. Een goede vertrouwensrelatie is daarvoor belangrijk. Die vertrouwensrelatie kan gevaar lopen wanneer een behandelend arts een oordeel geeft dat voor de aanvrager ongunstig is. Voorkomen moet worden dat patiënt en arts hierdoor in conflict raken. Daarom moet er een duidelijke grens zijn tussen de behandeling en beoordelen. Dat verweerster geen medische verklaring heeft willen afgeven aan klager, is daarmee dus conform de voor haar geldende richtlijnen. Of zij ook het speciaal daarvoor door de KNMG opgestelde “weigeringsbriefje” waarin de redenen hiervan worden uitgelegd heeft verstrekt aan klager, is niet duidelijk geworden. Dat verdient wel de voorkeur.

Op 9 december 2019 heeft klager gevraagd aan de huisarts in opleiding om hem prednison voor te schrijven zoals een huisarts in [naam land] ook had gedaan. Het voorschrijven daarvan en ook de dosering, zonder betrokkenheid van een specialist, is in de Nederlandse huisartsenpraktijk niet gangbaar. Dat (de huisarts in opleiding van) verweerster hiertoe niet is overgegaan is naar het oordeel van de commissie dan ook juist. Verweerster dient haar handelswijze te baseren op wat binnen de Nederlandse artsenij gebruikelijk is en niet op wat er in het buitenland gebeurt. Wat gebruikelijk is kan van land tot land verschillen.

Alles overziende komt de commissie tot het oordeel dat niet gebleken is van onzorgvuldig handelen door verweerster. Evenmin is vast te komen staan dat verweerster zorg heeft geweigerd. De commissie verklaart de klacht van klager ongegrond.

Datum uitspraak: 28-05-2020
Datum publicatie: 30-07-2020
Referentie: 20200004

20190137 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster stelt dat er sprake was van een vitamine B12 tekort, dat niet goed is behandeld. Dat er sprake was, of is geweest, van een tekort blijkt niet uit het medisch dossier van klaagster en is daarmee niet vast te stellen door de commissie.
Klaagster gaat af op het advies van de internist van de [naam gespecialiseerde kliniek], die injecties adviseert. Verweerder weigert vervolgens niet het geven van injecties, hij wil alleen niet overgaan tot het geven van wekelijkse injecties. Verweerder is wel bereid tot het geven van injecties elke twee weken. In de voor verweerder geldende professionele standaard is nergens een verplichting tot het geven van wekelijkse injecties vastgelegd. Zelfs niet bij een bewezen vitamine B12 tekort.
Dat verweerder over wilde gaan tot injecties elke twee weken is meer dan door de voor hem geldende professionele standaard wordt voorgeschreven, temeer daar er bij klaagster niet vast staat dat er sprake is van een vitamine B12 tekort. Ook omdat verweerders collega eerder was gestart met het geven van injecties was verweerder bereid tot het geven van twee wekelijkse injecties. Verweerder is naar het oordeel van de commissie niet verplicht over te gaan tot het verstrekken van wekelijkse vitamine B12 injecties. Aldus is er naar het oordeel van de commissie geen sprake van een onjuiste behandeling zoals klaagster stelt. De commissie verklaart de klacht ongegrond.

Datum uitspraak: 16-07-2020
Datum publicatie: 30-07-2020
Referentie: 20190137

20200009 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager vindt dat verweerder er verantwoordelijk voor is dat de prostaatkanker niet eerder is ontdekt.

In 2003 en 2013 zijn de PSA waarden van klager bepaald. In 2003 was de uitslag 3,09 en in 2013 was de uitslag 4,1. In elk geval in 2013 bepaalt de NHG standaard Mictieklachten bij mannen dat bij een waarde hoger dan 4, verwezen moet worden naar de uroloog. Daarmee was het dan ook niet juist dat (de assistente van) verweerder op 28 augustus 2013 alleen heeft doorgegeven dat de lab uitslag goed was. Dat verweerder in onderhavige procedure aangeeft dat er sprake was van normaalwaardes en dat er volgens de richtlijnen van de NHG geen aanbevelingen ten aanzien van grenswaardes en eventueel herhaaladvies is, is evenmin juist. Volgens de op dat moment geldende standaard had klager met een PSA waarde van 4,1 verwezen moeten worden naar een uroloog. Het is dan aan de uroloog om de grootte van het risico verder te bepalen. Op grond van het hiervoor overwogene staat vast dat verweerder door niet te verwijzen niet conform de NHG standaard heeft gehandeld. Aldus heeft hij naar het oordeel van de commissie niet als een goed hulpverlener gehandeld. De commissie verklaart de klacht van klager gegrond.

Datum uitspraak: 16-07-2020
Datum publicatie: 30-07-2020
Referentie: 20200009

20200010 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager verwijt verweerster ernstige nalatigheid, waardoor klagers prostaatkanker niet eerder is ontdekt.

Klager verzocht in 2017 om het bepalen van zijn PSA waarden. Op dat moment gold de herziene NHG standaard Mictieklachten bij mannen van oktober 2014, waarin verwijzing al geïndiceerd is bij een waarde van 3,09, hetgeen bij klager al het geval was vanaf 2003. In 2013 was er sprake van een waarde van 4.1. Er was daarmee in het verleden al sprake van verhoogde waardes wat verweerster had kunnen weten vanuit het medisch dossier.
Klager heeft gevraagd getest te worden in 2017 en in 2018. Aangegeven werd toen te wachten tot 2019, tot de volgende jaarlijkse CVRM controle. Klager heeft in 2019 dan ook de PSA waarden laten bepalen. Toen is gebleken dat er sprake was van een prostaatcarcinoom.
Vanaf 2003 waren de PSA waarden van klager, zeker in het licht van de herziene standaard Mictieklachten bij mannen van oktober 2014, verhoogd. Daarbij heeft klager meermalen gevraagd om getest te worden. Naar het oordeel van de commissie kon verweerster niet volstaan met een algemene verwijzing naar de website www.thuisarts.nl. Dit klemt temeer omdat klager zelf ook graag getest wilde worden, hetgeen bekend was en bleek uit het journaal. Indien klager eerder getest was, was klagers prostaatcarcinoom wellicht eerder ontdekt. Of het beloop dat ook anders zou zijn geweest, kan de commissie niet beoordelen.

Datum uitspraak: 16-07-2020
Datum publicatie: 30-07-2020
Referentie: 202000010

20190123 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster wilde verwezen worden naar een neuropsycholoog van het [naam] ziekenhuis in verband met geheugenproblemen. Vanwege de wachtlijsten bij dit ziekenhuis dacht zij in plaats daarvan te zijn verwezen naar een neuropsycholoog bij de GGD. Klaagster geeft aan niet te weten dat zij naar de geheugenpoli van de GGZ werd verwezen. Toen klaagster een brief van GGZ [naam] ontving, waarin gesproken werd over psychiatrie is klaagster erg geschrokken. Zij vindt dat er sprake is van een onjuiste verwijzing.

Klaagster heeft het spreekuur van verweerster bezocht in verband met geheugenproblemen. Zij wilde na overleg met haar psycholoog een verwijzing naar een neuropsycholoog. Verweerster heeft voorgesteld eerst een MMSE test uit te voeren. Naar het oordeel van de commissie is dat een juiste eerste stap om te beoordelen of er inderdaad sprake is van geheugenproblemen. De uitslag was 23 van 30, hetgeen aangeeft dat er inderdaad geheugenproblemen zijn en dat verdere verwijzing is geïndiceerd om dit te onderzoeken. Na de uitslag van de MMSE test vindt opnieuw een consult plaats. Verweerster verwijst daarna naar de geheugenpoli van de GGZ, omdat er wachtlijsten zijn bij het ziekenhuis van klaagsters keuze. Daarbij overweegt verweerster dat het ziekenhuis alleen een diagnose kan stellen en geen behandeling kan starten, mocht dat nodig zijn. Ook om die reden verwijst verweerster naar de GGZ.

De commissie is van oordeel dat verweerster zorgvuldig heeft gehandeld met betrekking tot de verwijzing. De verwijsbrief naar de GGZ is duidelijk. Omdat de verwijzing plaatsvindt via Zorgdomein wordt dit format gebruikt en niet het door het NHG ontwikkelde format. Het noemen van een vermoeden van een DSM-5 diagnose is nodig omdat er anders niet naar de tweedelijn kan worden verwezen en omdat er dan geen vergoeding door de zorgverzekeraar van klaagster kan plaatsvinden. Verder is de anamnese zorgvuldig gebeurd, door overleg met de psycholoog te voeren, de MMSE test eerst te doen waaruit bleek dat verdere behandeling noodzakelijk was en de verwijzing te bespreken met klaagster. Uit het journaal blijkt niet dat het verweerster duidelijk had moeten zijn dat er bij klaagster verwarring bestond over de aard van de verwijzing en uit niets blijkt dat door verweerster is gesproken over de GGD of over geheugentraining door een neuropsychloog in plaats van een verwijzing naar de GGZ. De commissie heeft er begrip voor dat klaagster geschrokken is van de genoemde DSM-5 diagnoses. Het noemen van deze mogelijke diagnoses is echter noodzakelijk om te kunnen verwijzen. Verweerster heeft deze diagnoses niet gesteld, doch heeft enkel aangegeven dat (een van) deze diagnoses mogelijk aanwezig is, hetgeen door de tweedelijnszorg onderzocht diende te worden. Verweerster is gehouden gebruik te maken van het geldende systeem binnen de gezondheidszorg. Bij klaagster heeft dat geleid tot onterechte beeldvorming. Dit is echter niet verwijtbaar aan verweerster.

Klaagster heeft verzocht om correctie van gegevens in haar medisch dossier en verwijdering van de verwijzing naar de GGZ en vermelding van psychiatrie. In beginsel heeft een patiënt op grond van de WGBO recht op vernietiging van (delen van) het medisch dossier. Op dit vernietigingsrecht gelden vier uitzonderingen, namelijk a) een andere wet schrijft een afwijkende bewaartermijn voor, waarbinnen de gegevens niet vernietigd mogen worden, b) een ander dan de patiënt heeft een aanmerkelijk belang bij het bewaren van de gegevens, c) de vernietiging belemmert goed hulpverlenerschap, of d) de WGBO is slechts ten dele van toepassing (zoals bij keuringen). In casu geldt uitzondering b), een arts waartegen een klacht of claim is ingediend, heeft een aanmerkelijk belang bij bewaring van het medisch dossier. Verweerster stelt zich daarmee terecht op het standpunt dat vernietiging van (delen van) het dossier van klaagster op dit moment niet mogelijk is, omdat onderhavige procedure lopende is en verweerster daarmee een belang ten behoeve van haar verdediging heeft dat deze gegevens worden bewaard.

Nadat de verwijzing naar de GGZ heeft plaatsgevonden heeft klaagster gevraagd om een afschrift van deze verwijzing. Verweerster heeft dit afschrift niet verstrekt, maar zij heeft klaagster uitgenodigd op het spreekuur om de verwijzing te bespreken. Klaagster heeft de verwijzing vervolgens opgevraagd bij GGZ en aldaar wel een afschrift verkregen. Op grond van artikel 7:456 BW heeft een patiënt recht op een afschrift van het medisch dossier. Ook verwijsbrieven behoren tot het medisch dossier. Weliswaar komt de tekst van een verwijzing via Zorgdomein niet automatisch in de journaalregels te staan, de verwijzing zelf is achteraf wel uit te printen. De commissie is van oordeel dat verweerster de tekst van de verwijzing aan klaagster had moeten verstrekken toen zij daar om vroeg en duidelijk maakte dat zij hiervoor niet op het spreekuur wilde komen. Dit is echter niet voldoende om de klacht gegrond te verklaren, omdat duidelijk was dat het de intentie van verweerster was om wel inzage te verstrekken in de tekst, zij had klaagster uitgenodigd juist om te voorkomen dat nog meer misverstanden zouden ontstaan rondom de verwijzing.

Alles overziende is de commissie van oordeel dat verweerster zorgvuldig heeft gehandeld bij de verwijzing en behandeling van klaagster. Zij verklaart de klacht van klaagster ongegrond.

Datum uitspraak: 13-03-2020
Datum publicatie: 24-06-2020
Referentie: 20190123

20190081 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager vindt dat verweerder, een huisartsenpost, onvoldoende zorg heeft verleend op zondag 17 maart 2019. Ook vraagt klager zich af of de patiënt gezien had moeten worden door de dienstdoende huisarts en niet alleen door de Physician Assistant in opleiding (PAio).

Tijdens het consult dat de PAio had met de patiënt was er sinds vier dagen sprake van koorts van boven de 40 graden ondanks maximale pijnstilling zonder dat er een oorzaak gevonden werd voor het ziek zijn. Daarnaast had de patiënt veel pijn, maakte hij een zieke indruk en was er sprake van een gevoelig abdomen (buik). Verder was er sprake van een derde contact met verweerder in korte tijd en was klager erg bezorgd over de patiënt.
In het waarneembericht is geen “E”-regel opgenomen en geen differentiaaldiagnose. Er is geen urineonderzoek gedaan, zoals de NHG Standaard “Kinderen met koorts” voorschrijft.
De commissie is van oordeel dat in een casus als deze, onder deze omstandigheden, waarbij sprake is van een ernstig ziek kind, met meerdere dagen hoge koorts, er een derde contact is in korte tijd, vader erg ongerust is, er sprake was van een gevoelige buik en het feit dat er al maximale pijnstilling werd toegepast, sprake had moeten zijn van alertheid op ernstige problematiek. Onder deze omstandigheden is de commissie tevens van oordeel dat niet had kunnen worden volstaan met een beoordeling door de PAio, maar dat ook de dienstdoende huisarts de patiënt had moeten beoordelen. De klacht van klager is daarmee gegrond.

De commissie heeft bij verweerder opgevraagd wat het beleid/kader was ten aanzien van het zelfstandig handelen van de PA en de PAio. Daarmee doelde de commissie op de schriftelijke functionele afspraken tussen verweerder en de PA, waarin de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden overeengekomen zijn. Ook heeft de commissie verzocht om een kopie van de afspraken die gemaakt zijn over de taken, bevoegdheden, verantwoordelijkheid en wijze van supervisie met een PAio. Verweerder heeft aangegeven dat ten tijde van het onderzoek van de patiënt door de PAio geen werkafspraken werden gehanteerd waarin de verantwoordelijkheden tussen de PAio en de begeleidende HAP-huisartsen nader waren geduid of uitgewerkt. Een goede samenwerking tussen de verschillende zorgverleners is van belang om gezamenlijk verantwoorde zorg te kunnen bieden. Noodzakelijk daarvoor is dat een duidelijke taak- en verantwoordelijkheidsverdeling tussen de zorgverleners wordt gemaakt waarin de gemaakte samenwerkingsafspraken worden vastgelegd. Bij het opstellen van een verantwoordelijkheidsverdeling dienen de aandachtspunten uit de KNMG-handreiking “Verantwoordelijkheidsverdeling bij samenwerking in de zorg” in acht genomen te worden.
De commissie is van oordeel dat ten tijde van het consult met de patiënt onvoldoende duidelijk was wat de verantwoordelijkheden en zelfstandige bevoegdheden waren van de PAio. Evenmin was vastgelegd in welke situaties de dienstdoende huisarts geraadpleegd diende te worden. Dit leidt ertoe dat de commissie van oordeel is dat een juiste en adequate zorg door de PAio onvoldoende was geborgd.

Datum uitspraak: 09-03-2020
Datum publicatie: 22-06-2020
Referentie: 20190081

20190127 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster verwijt verweerder dat op 2 en 3 januari 2019 inadequate zorg is verleend, dat hij niet de bereidheid had tot zelfreflectie en empathie en dat de klachtenafhandeling onzorgvuldig was.

De commissie beoordeelt of verweerder heeft gehandeld zoals in redelijkheid van een goed zorgverlener mag worden verwacht. Het is niet de taak van de commissie om een antwoord te formuleren op de vele vragen van klaagster. De commissie heeft de klachten onderverdeeld in drie onderdelen: 1. de situatie in de namiddag van 2 januari 2018; 2. de situatie in de nacht van 2 op 3 januari 2018 en 3. de klachtenafhandeling.

Klachtonderdeel 1: De dienstdoende huisarts heeft zorgvuldig gehandeld. Klaagster vroeg de triagist telefonisch om medicatie omdat haar ‘reservepil’ op was. Zij vroeg niet om een beoordeling van haar psychische klachten en maakte die ook niet goed mogelijk. Zij heeft een recept voor medicatie gekregen, toereikend tot een consult bij haar eigen huisarts.
Klachtonderdeel 2: De triagist kon in redelijkheid besluiten om de politie in te schakelen, gelet op de gespannen situatie, de uitspraken van klaagster en haar partner en de veiligheid van de huisarts tijdens zijn visite, later in de nacht.
Klachtonderdeel 3: Klaagster heeft het klachtentraject zelf bemoeilijkt door daaraan steeds nieuwe voorwaarden te stellen en verweerder verwijten te maken. Suggesties van verweerder voor verbeteringen wees klaagster af.

De commissie acht de drie klachtonderdelen ongegrond.

Datum uitspraak: 21-04-2020
Datum publicatie: 22-06-2020
Referentie: 20190127

20190082 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager vindt dat verweerder onacceptabel heeft gehandeld omdat verweerder geen inzage had in het medisch dossier dat nog niet was overgedragen door de oude huisarts. Klager vraagt zich af of er eerder aan behandeling kon zijn begonnen als verweerder wel inzage in het dossier had gehad.

Klager was in de twee jaar voorafgaand aan de ontdekking van de hiv-besmetting zeer regelmatig ziek. In mei 2017 heeft klager een forse griep gehad, waarvan door klager wordt aangenomen dat dit een eerste uiting is geweest van de besmetting met hiv. Verder gaat klager ervan uit dat als verweerder het medisch dossier van de voorgaande huisarts eerder had gehad, hij had geweten dat klager homoseksueel was en wellicht eerder had aangedrongen op een hiv-test. Allereerst stelt de commissie op grond van de brief van het [naam ziekenhuis] vast dat er in oktober 2018 sprake was van een negatieve hiv-test. Omdat Hiv een incubatietijd van maximaal een half jaar kent, zou klager dus hooguit besmet geraakt kunnen zijn vanaf april 2018. De ziekteperiode van mei 2017 kan dus niet te maken hebben gehad met een hiv-besmetting.

Nadat verweerder het medisch dossier van de vorige huisarts kreeg in oktober 2018 gaf dat dossier geen aanleiding om eerder aan een mogelijke hiv-besmetting te denken. Klager is een keer gezien door verweerder, op 10 oktober 2018. De klachten die klager toen had, wezen naar het oordeel van de commissie niet op een mogelijke hiv-besmetting. Klager is toen voldoende zorgvuldig onderzocht en verwezen. In het medisch dossier van de voorgaande huisarts, dat verweerder toen wel in zijn bezit had, was geen vermelding opgenomen van de homoseksualiteit van klager. Verweerder heeft ook niet gevraagd aan klager of hij homoseksueel is. De commissie volgt verweerder in zijn redenatie dat er geen reden was om klager te vragen naar zijn seksuele geaardheid en activiteiten gezien de klachten die klager toen had. Dit is ook geen standaardvraag die aan elke patiënt wordt gesteld. Ook indien verweerder het medisch dossier eerder had ontvangen van de voorgaande huisarts, zou hij niet anders hebben kunnen handelen. Het dossier gaf geen aanleiding om te denken aan een mogelijke hiv-besmetting. De commissie verklaart de klacht van klager ongegrond.

Datum uitspraak: 20-02-2020
Datum publicatie: 22-06-2020
Referentie: 20190082

20190097 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster verwijt verweerster dat zij in 2014 een overdosis aan bloeddrukmedicatie voorgeschreven heeft gekregen. Hierdoor heeft klaagster in 2014 en 2015 een te hoge bloeddruk gehad, hetgeen heeft geleid tot aderverkalking in haar hoofd, stelt zij.

Verweerster heeft aangegeven dat zij niet persoonlijk betrokken is geweest bij de zorg aan klaagster. Zij geeft aan dat haar collega-huisarts (en de praktijkondersteuner onder diens verantwoordelijkheid) de zorg rondom de bloeddruk van klaagster in 2014 en 2015 hebben verleend. Klaagster heeft niet inhoudelijk gereageerd op dit verweer van verweerster en ook niet aangetoond dat verweerster wel degene was die de zorg heeft verleend. Ook uit het medisch dossier valt dit niet goed af te leiden. De commissie kan daarmee niet vaststellen of de klacht gericht is tegen de juiste persoon in onderhavige procedure. De klacht is alleen al om die reden ongegrond.
Ook de medisch inhoudelijke kant van de zaak leidt niet tot een gegrondverklaring van de klacht, nu aderverkalking geen bijwerking is van een te hoge dosis bloeddrukmedicatie, zou er al sprake zijn geweest van overdosering.

Datum uitspraak: 09-03-2020
Datum publicatie: 22-06-2020
Referentie: 20190097

20200006 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager verwijt verweerster dat zij bij de behandeling van de patiënt niet de juiste diagnose zou hebben gesteld. De patiënt is op drie momenten gezien door verweerster. Kort na dit derde consult overlijdt de patiënt, meest waarschijnlijk aan een longembolie.

De commissie stelt allereerst vast dat verweerster de diagnose longembolie heeft gemist. Ook in een Differentiaal Diagnose (een mogelijke andere diagnose) denkt verweerster niet aan een longembolie.
Het missen van de juiste diagnose betekent op zichzelf nog niet dat de klacht gegrond is. De klacht is pas gegrond als vast komt te staan dat de wijze waarop verweerster tot de onjuiste diagnose is gekomen in strijd is met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame beroepsgenoot mag worden verwacht. Daar komt bij dat de toetsing van het handelen van verweerster moet plaatsvinden in het licht van wat haar op het moment van haar handelen bekend was en bekend kon zijn. Ook gaat het om de vraag of verweerster bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het verweten handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

Een longembolie is een aandoening die lastig te diagnosticeren is. Klinische verschijnselen voor de aanwezigheid hiervan bij de patiënt waren bij anamnese en lichamelijk onderzoek door verweerster tijdens alle drie de consulten niet aanwezig. Gelet op de criteria voor een longembolie (de zogenoemde Wells-criteria waarbij aan de hand van zeven variabelen een arts de kans op longembolie scoort) lag de diagnose longembolie bij een Wells-score van nul ook niet voor de hand. Dat verweerster op dat moment niet bedacht is geweest op de mogelijkheid van een longembolie, is dan ook niet onzorgvuldig te achten. Dat achteraf is gebleken dat de patiënt is overleden als gevolg van longembolieën, maakt dat niet anders. Zoals hiervoor is overwogen, vindt de toetsing van het handelen van verweerster plaats in het licht van wat haar op het moment van haar handelen bekend was en bekend kon zijn. De commissie verklaart de klacht om die reden ongegrond.

De commissie is wel van oordeel dat het beter was geweest als verweerster een Differentiaal Diagnose had opgesteld. Dit had haar handelen meer structuur gegeven, in plaats van afgaan op hetgeen werd geconstateerd tijdens ieder afzonderlijk consult. Nu op de X-Thorax niks te zien was, ook geen restverschijnselen van een pneumonie, had het opstellen van een Differentiaal Diagnose verweerster wellicht eerder op een ander spoor kunnen zetten. Ook toen bij het derde consult nog steeds sprake was van dezelfde klachten, waar (inmiddels) geen goede verklaring voor was, had een Differentiaal Diagnose verweerster bewuster kunnen maken van wat er nog meer aan de hand had kunnen zijn, in plaats van een nieuw spoor (Astma) te gaan volgen. Echter, ook wanneer verweerster na het derde consult verwezen zou hebben naar een longarts, zou dit niet met spoed zijn geweest, omdat de patiënt op dat moment geen ernstige klachten had. Dat er bij een verwijzing sprake zou zijn geweest van een andere beloop kan de commissie dan ook niet vaststellen.

Datum uitspraak: 11-05-2020
Datum publicatie: 22-06-2020
Referentie: 20200006

20190116 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager verwijt verweerder ten eerste dat de huisarts onprofessioneel en onzorgvuldig heeft gehandeld, waardoor klager veel pijn heeft geleden en gezondheidsrisico’s heeft gelopen; ten tweede dat de klachtenbehandeling door verweerder veel te lang heeft geduurd en onzorgvuldig is verlopen.
Naar het oordeel van de commissie heeft de huisarts conform de NHG standaard ‘Mictieklachten bij mannen’ gehandeld door na vaststelling van de urineretentie klager eerst te katheteriseren en toen dit niet lukte hem – na overleg met de uroloog – in te sturen naar het ziekenhuis. Dat [naam ambulancevervoer] een zorgambulance (die klager i.v.m. een verhoogde glucosewaarde niet meenam) en niet een ALS-ambulance (die later werd opgeroepen) heeft gestuurd kan de huisarts niet worden verweten. Niet is komen vast te staan dat de huisarts het beleid van [naam ambulancevervoer] op dat punt kende of kon kennen. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Het tweede klachtonderdeel is gegrond. Verweerder erkent dat de klachtafhandeling te lang heeft geduurd. Voldoende staat vast dat klager veel tijd en moeite heeft moeten besteden aan een behoorlijke afhandeling van zijn klacht. De commissie kent een vergoeding van € 250,00 toe, vermeerderd het door klager betaalde griffierecht ad € 50,00.

Datum uitspraak: 24-03-2020
Datum publicatie: 12-05-2020
Referentie: 20190116

20190065 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster vindt dat er bij verweerster sprake is van nalatigheid en het niet adequaat handelen gedurende de gehele ziekteperiode vanaf december 2018. De commissie is van oordeel dat die klacht ongegrond is.

Verweerster was niet de gehele periode betrokken bij de behandeling van de patiënt. Uit dit medisch dossier valt af te leiden dat tot 18 februari 2019 adequaat is gehandeld. Er was voor die tijd geen sprake van symptomen die wezen op infecties die eerder behandeld hadden moeten worden. Toen bekend werd dat er sprake was van vocht achter de longen dat veroorzaakt werd door een hartprobleem, heeft verweerster plaspillen voorgeschreven, hetgeen het juiste beleid is. Vervolgens is het nt PROBNP geprikt aan huis, hetgeen te hoog was. Verweerster heeft de patiënt daarop dan ook verwezen naar de cardioloog. Niet duidelijk is, waarom het nog acht dagen moest duren voordat een afspraak bij de cardioloog mogelijk was.
Wel is de commissie van oordeel dat op het moment dat er op 18 februari 2019 gevraagd wordt om een visite, verweerster anders had moeten handelen. Bekend was dat er sprake was van ernstig hartfalen en vocht achter de longen. Verweerster kiest er dan voor de patiënt niet te zien, maar motiveert haar argumenten hiervoor niet. Het is immers mogelijk dat er op 18 februari 2019 wel sprake was van een infectie. Daarbij was de patiënt verhoogd kwetsbaar. De commissie is van oordeel dat verweerster de patiënt op dat moment had moeten zien, dan wel, indien zij goede redenen had dit niet te doen, dit duidelijk had moeten motiveren in het journaal. Alles overziende komt de commissie tot het oordeel dat dit niet voldoende is om de klacht gegrond te verklaren.

Datum uitspraak: 20-02-2020
Datum publicatie: 12-05-2020
Referentie: 20190065

20190095 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster verwijt verweerster dat de behandelrelatie met haar behandelend huisarts is beëindigd tegen de afspraken in en zonder de patiënt hierover persoonlijk te informeren. Klaagster heeft hierdoor ernstige psychische schade geleden.
De commissie oordeelt dat van verweerster niet langer kon worden verlangd om de behandelrelatie voort te zetten. Zij heeft de behandelrelatie op voldoende zorgvuldige wijze beëindigd. De commissie heeft bij de beoordeling acht geslagen op de zorgvuldigheidseisen in de KNMG richtlijn “Niet aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst”. Bij patiënten met psychische problematiek dient men terughoudend en extra zorgvuldig te zijn, maar het gedrag van klaagster verhinderde een goede huisartsenzorg. Daarbij heeft klaagster de verweten gedragingen onvoldoende betwist en zij heeft ook onvoldoende begrip getoond voor de effecten daarvan op de huisarts en de praktijk van verweerster. Er mag volgens de commissie in redelijkheid niet van de huisarts worden verwacht dat zij klaagster nog een kans geeft. De commissie acht de klacht ongegrond.

Datum uitspraak: 29-01-2020
Datum publicatie: 26-02-2020
Referentie: 20190095

20190077 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster verwijt verweerster dat zij ten onrechte is beschuldigd van dwingend en manipulatief gedrag en op grond daarvan op initiatief van verweerster een andere huisarts heeft moeten zoeken.
De assistentes van verweerster hebben druk ervaren van klaagster om een afspraak voor haar moeder te maken. Zij hebben dat aan verweerster verteld, die daarover tijdens een consult met klaagster heeft gesproken. Klaagster heeft dezelfde avond per email de behandelrelatie opgezegd.
De commissie oordeelt dat uit de processtukken en het journaal niet kan worden vastgesteld dat er sprake was van laster, kwaadsprekerij en opzettelijke negatieve uitlatingen jegens klaagster en haar moeder. De commissie is van oordeel dat verweerster vanuit haar verantwoordelijkheid voor een goede praktijkvoering en patiëntenzorg de vrijheid heeft om incidenten en mogelijke irritaties te bespreken met zowel de assistentes als de patiënt. Verweerster heeft klaagster op de mogelijkheid gewezen om naar een andere praktijk te gaan. De commissie beschouwt dit niet als een opzegging van de behandelrelatie, maar het wijzen op een alternatief voor klaagster als zij zich niet meer prettig en veilig voelde in de praktijk. Op het voorstel van verweerster om naar informele oplossingen te zoeken, is klaagster niet ingegaan. De commissie acht de klacht ongegrond.

Datum uitspraak: 29-01-2020
Datum publicatie: 18-02-2020
Referentie: 20190077

20190049 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager verwijt verweerder dat hij tot twee keer toe geen volledig medisch dossier van verweerder heeft ontvangen en dat het medisch dossier achteraf expres is veranderd.
Klager heeft in november 2017 een afschrift van zijn medisch dossier ontvangen. Toen klager daar nog vragen over had, heeft de assistente van verweerder het medisch dossier met klager doorgelopen en hem een aanvulling verstrekt. Tijdens de procedure bij het Medisch Tuchtcollege is klager een kopie verstrekt van zijn volledige medische dossier en niet alleen van de periode vanaf eind 2013. Dit wordt ook door klager erkend. Achteraf bezien was het beter geweest, klager direct een afschrift van zijn gehele dossier te verstrekken om onduidelijkheden te voorkomen. De commissie stelt echter vast dat klager (inmiddels) een afschrift van zijn volledige dossier heeft ontvangen.
Daarnaast geeft klager aan dat zijn medisch dossier achteraf expres is veranderd. Verweerder betwist dat er sprake zou zijn van vervalsing. Klager toont niet aan dat er sprake zou zijn van vervalsing van het dossier, welke delen vervalst zouden zijn, of om welke reden dit zou zijn gebeurd door verweerder. Nu door klager niet onomstotelijk is aangetoond dat er sprake zou zijn van vervalsing, kan dit door de commissie ook niet worden vastgesteld. De commissie is ook overigens niet gebleken dat er sprake zou zijn van enig klachtwaardig handelen door verweerder. De commissie verklaart de klacht van klager ongegrond.

Datum uitspraak: 13-01-2020
Datum publicatie: 18-02-2020
Referentie: 20190049

20190076 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

1. Klaagster is van mening dat verweerder haar tijdig op de hoogte had moeten stellen dat er informatie uit haar medisch dossier ontbrak, ook van de voorgangers van verweerder. Klaagster stelt dat zij in dat geval nog actie had kunnen ondernemen richting haar voormalig huisartsen.
De commissie stelt vast dat toen klaagster in 2013 patiënt werd bij verweerder, er een medisch dossier is overgedragen door de vorige huisarts van verweerder. Een huisarts is verplicht tot het aanleggen van een medisch dossier en tot overdracht naar een nieuwe huisarts, tenzij de patiënt dit niet wil. Er bestaat op grond van de bestaande richtlijnen geen plicht voor de nieuwe huisarts om te onderzoeken of er een volledig dossier is overgedragen. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de oude huisarts het dossier zo goed en zo volledig mogelijk over te dragen. De opvolgend huisarts mag vertrouwen op een goede overdracht. Een nieuwe huisarts kan immers ook niet weten wat hij mogelijk mist, aangezien hij het dossier niet kent. Indien de opvolgend huisarts kenbaar wordt dat hij informatie mist, waardoor hij geen goede zorg kan leveren, is dat uiteraard wel van belang te bespreken met de patiënt. Er zijn de commissie geen feiten gebleken dat de huisartsen van verweerder geen goede zorg hebben kunnen leveren door het ontbreken van (delen van) het medisch dossier. De commissie verklaart klachtonderdeel 1 ongegrond.
2. Klaagster vindt dat zij verweerder geen toestemming heeft gegeven om bijzondere persoonsgegevens van haar te verstrekken en dat bijzondere persoonsgegevens van haar echtgenoot niet relevant zijn in een geschil tussen haar en verweerder.
Verweerder heeft een deel van het medisch dossier van klaagster overgelegd in onderhavige procedure. In de overgelegde journaalregels is ook informatie opgenomen over de echtgenoot van klaagster. Klaagster heeft in onderhavige procedure een medische machtiging afgegeven. Klaagster heeft daarmee toestemming gegeven voor het gebruik van de medische informatie over klaagster. Het is verweerder toegestaan zich in een juridische procedure bij te laten staan en ook aan de rechtsbijstandverlener alle informatie te verstrekken die voor de verdediging in een dergelijke procedure noodzakelijk is. De commissie is daarnaast niet gebleken dat meer informatie is verstrekt dan noodzakelijk was voor verweerder om zich goed te kunnen verweren in onderhavige procedure dan wel voor de commissie om de klacht van klaagster goed te kunnen onderzoeken. Juist nu het klaagster gaat om een klacht over de inhoud en (onvolledigheid) van haar dossier is het van belang dat haar medisch dossier werd overgelegd.
Klaagster is daarnaast van mening dat er ook informatie is overgelegd met betrekking tot klaagsters echtgenoot, waarvoor geen toestemming is gegeven. Nu het hier gaat om gegevensverstrekking met betrekking tot gegevens van klaagsters echtgenoot en niet van klaagster zelf, is klaagster hierover niet klachtgerechtigd. De commissie verklaart klachtonderdeel 2 ongegrond.

Datum uitspraak: 13-01-2020
Datum publicatie: 18-02-2020
Referentie: 20190076

20190047 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager verwijt verweerster een verkeerde diagnose bij zijn zoon te hebben gesteld. Sprake was van een breuk in het bovenbeen, die pas later die dag na langdurig wachten en veel pijn lijden in het ziekenhuis is vastgesteld. Hierdoor heeft de zoon van klager een trauma opgelopen, stelt klager, dat zich nu vertaalt in een ontwikkelingsachterstand op spraak- en taalgebied, symptomen van ADHD en ASS.
Op zichzelf behoeft het missen van de juiste diagnose niet doorslaggevend te zijn voor het slagen van de klacht. De klacht is pas gegrond als vast komt te staan dat de wijze waarop verweerster tot de onjuiste diagnose is gekomen in strijd is met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame beroepsgenoot mag worden verwacht.
Verweerster heeft de patiënt zorgvuldig onderzocht. Zij heeft daarbij gekeken naar het gehele beeld en niet alleen naar het been van de patiënt. Het been van de patiënt was niet rood of dik. Daarbij was de patiënt op het moment van onderzoek nog troostbaar door de moeder. Het was onduidelijk of er ook sprake was van honger bij de patiënt, waardoor hij mogelijk ook huilde. Verweerster heeft, nadat zij bij onderzoek niets kon vinden, aangegeven dat de patiënt eerst gevoed moest worden. Zij heeft daarbij een duidelijke instructie gegeven dat als hij zou blijven huilen, of als hij niet zou willen drinken, er direct weer contact opgenomen moest worden. Om welke reden er pas in de avond contact opgenomen is met de huisartsenpost is niet duidelijk geworden. Dit delay is echter niet verwijtbaar aan verweerster. De commissie verklaart de klacht van klager ongegrond.

Datum uitspraak: 10-12-2019
Datum publicatie: 15-02-2020
Referentie: 20190047

20190112 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster verwijt verweerster dat de drie artsen die op huisbezoek zijn geweest bij haar moeder, onzorgvuldig hebben gehandeld door haar niet in te sturen naar het ziekenhuis. Drie dagen later is haar moeder overleden. Klaagster vordert een schadevergoeding tussen de € 1000,00 en € 5000,00 per arts.
Verweerder stelt dat klaagster niet ontvankelijk is a) omdat door partijen een vaststellingsovereenkomst ex artikel 7: 900 BW is getekend, waarbij klaagster afstand heeft gedaan van het recht op schadevergoeding, b) omdat de klachten eerder zijn ingediend bij de Klachtencommissie Huisartsenzorg en het Regionaal en Centraal Tuchtcollege ex art. 7 lid 2 Geschillenreglement SKGE en c) de klachten onvoldoende concreet zijn omschreven ex art. 5 lid 5 Geschillenreglement SKGE.
De commissie oordeelt dat naar aanleiding van eerder doorlopen procedures tussen partijen is onderhandeld en een vaststellingsovereenkomst is overeengekomen. Klaagster heeft zich daarbij laten bijstaan door een advocaat. Partijen hebben hiermee hun onderlinge geschillen over de zorgvuldigheid van het medisch handelen beëindigd en klaagster heeft een schadevergoeding ontvangen. De commissie is van oordeel dat klaagster daarom niet de vrijheid heeft om opnieuw een geschil over dezelfde handelingen aanhangig te maken. De commissie acht de klacht van klaagster niet ontvankelijk.

Datum uitspraak: 30-01-2020
Datum publicatie: 15-02-2020
Referentie: 20190112

20190062 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster verwijt verweerster dat zij haar niet goed heeft onderzocht, waardoor klaagster langer ziek is geweest.
Volgens de standaard Acute rhinosinusitis is van belang dat bij klachten als van klaagster bepaald wordt wat de mate van ziek zijn is. Het gaat daarbij om koorts, de ernst van de klachten en de mate van algemeen ziek zijn. Ook worden de oogleden geïnspecteerd en eventueel de keel, neus en oren. Holtes kunnen door een huisarts niet onderzocht worden. Verweerster heeft niets vermeld over de mate van ziek zijn in het journaal, noch over de hoogte van klaagsters temperatuur. Door een eventueel opvolgende zorgverlener kan nu niet beoordeeld worden wat klaagsters algemene toestand dan wel de mate van ziek zijn was ten tijde van het consult. Dat maakt dat het onderzoek van verweerster naar het oordeel van de commissie te summier was. Klachtonderdeel 1 is gegrond. Overigens geldt wel dat, ook al had verweerster meer onderzoek gedaan en meer genoteerd in het journaal, dit niet wil zeggen dat het beleid van verweerster anders zou zijn geweest.
Klaagster verwijt verweerster ook dat zij tijdens het consult haar stem heeft verheven. Nu klaagster en verweerster elkaar tegenspreken, is voor de commissie niet vast te stellen wie de waarheid spreekt. Klachtonderdeel 2 van klaagster is ongegrond.

Datum uitspraak: 13-01-2020
Datum publicatie: 31-01-2020
Referentie: 20190062

20190030 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager verwijt verweerder dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld door hem niet door te verwijzen naar het ziekenhuis, maar zelf een lipoom (vetbult) te verwijderen. Klager ervaart als gevolg hiervan nog dagelijks psychische en fysieke pijn. Verweerder heeft voorafgaande aan de ingreep een echo gemaakt om uit te sluiten dat het lipoom zou zijn vergroeid met de onderliggende spierlaag. Toen hij tot zijn verbazing geen lipoom aantrof, heeft hij een collega mee laten kijken. Verweerder stelde na het dichtmaken van de wond aan klager voor een nieuwe afspraak te maken voor een herbeoordeling van de situatie. Klager koos er echter voor een andere huisarts te zoeken, aangezien hij geen vertrouwen meer had in verweerder.
De commissie is van oordeel dat verweerder zorgvuldig heeft gehandeld door a. een echo te maken van de zwelling om deze goed te kunnen beoordelen en b. een collega mee te laten kijken toen zich een complicatie aandiende. Hij was van plan om klager door te verwijzen naar het ziekenhuis, maar kreeg daartoe niet meer de kans, omdat klager overstapte naar een andere huisarts. Dat anderhalf jaar na dato bij een operatie in het ziekenhuis een lipoom in het spierweefsel werd aangetroffen, wil volgende de commissie niet zeggen dat verweerder die verwijtbaar heeft gemist. De commissie gaat uit van de beoordeling ten tijde van de behandeling. De commissie oordeelt wel dat de communicatie rondom de ingreep beter had gekund, maar dit maakt de klacht niet gegrond.

Datum uitspraak: 13-01-2020
Datum publicatie: 31-01-2020
Referentie: 20190030

20190039 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager verwijt verweerder dat de dienstdoende huisarts de patiënt niet goed heeft behandeld, waardoor de patiënt is overleden.
Op zichzelf behoeft het missen van de juiste diagnose niet doorslaggevend te zijn voor het slagen van de klacht. De klacht is pas gegrond als vast komt te staan dat de wijze waarop (de dienstdoende huisarts van) verweerder tot de onjuiste diagnose is gekomen in strijd is met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame beroepsgenoot mag worden verwacht.
De huisarts heeft de patiënt onderzocht. Uit dit onderzoek kwamen geen alarmsymptomen naar voren die wezen op een aneurysma. De klachten waarmee de patiënt zich tijdens het consult presenteerde waren zodanig atypisch voor een aneurysma dat de huisarts daar ook niet aan hoefde te denken. Voorts lieten de klachten geen acuut beeld zien zodat de huisarts op dat moment ook geen reden had om de patiënt in te sturen met een ambulance.
De huisarts had een niet-pluis gevoel, reden waarom zij de patiënt heeft geadviseerd de volgende dag een afspraak te maken met de eigen huisarts, hetgeen zij ook vastlegde in het waarneembericht. Het valt te betreuren dat bij de patiënt sprake bleek te zijn van een aneurysma. Met de kennis van dat moment heeft de dienstdoende huisarts van verweerder echter adequaat gehandeld en de juiste medische zorg geleverd. Dat de patiënt desondanks is overleden, is buitengewoon tragisch. Het overlijden is echter niet verwijtbaar aan de huisarts. De commissie verklaart de klacht van klager ongegrond.

Datum uitspraak: 10-12-2019
Datum publicatie: 31-01-2020
Referentie: 20190039

20190054 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster verwijt verweerster dat zij te weinig aandacht aan haar aandoening heeft geschonken en daardoor de ernst van de situatie niet goed heeft ingeschat. Ook verwijt zij verweerster een verkeerde diagnose te hebben gesteld en als gevolg daarvan een onjuiste behandeling te zijn gestart.
Klaagster toonde bij een consult bij verweerster een klein plekje op haar neus. Verweerster stelde als voorlopige diagnose actinische keratose en gaf klaagster het advies om het plekje door een assistente te laten aanstippen. Die behandeling is conform de Richtlijn Verdachte huidafwijkingen en is naar het oordeel van de commissie zorgvuldig, waaraan niet afdoet dat later na een biopt een basaalcelcarcinoom werd gevonden. De commissie gaat er verder van uit dat verweerster aan klaagster heeft geadviseerd om na de eerste keer aanstippen een nieuw consult te vragen, hoewel dat advies niet in het journaal is vermeld. Het advies is echter niet in overeenstemming met het destijds geldende interne protocol in de praktijk, inhoudende dat pas na driemaal aanstippen een consult bij de arts volgde. Klaagster had weliswaar na de eerste keer aanstippen om een consult kunnen vragen, maar zij mocht er anderzijds ook op vertrouwen dat de assistenten in medisch opzicht zorgvuldig handelden door het aanstippen voort te zetten, onder verantwoordelijkheid van de arts. De commissie acht dit klachtonderdeel gegrond.
Klaagster heeft na 7 maanden opnieuw aandacht van verweerster voor de aandoening gevraagd. Verweerster heeft haar toen direct naar een dermatoloog en verwezen, die aan de hand van een biopt een basaalcelcarcinoom vaststelde. Het verwijt van klaagster dat de werkwijze van verweerster tot een vertraging in de behandeling en daarmee tot schade heeft geleid, acht de commissie niet gegrond. Vertraging is ook ontstaan doordat klaagster zich pas na 7 maanden meldde. Bovendien is zij pas vier maanden na haar bezoek aan de dermatoloog geopereerd. Bovendien kan niet worden bepaald dat het operatielitteken minder groot zou zijn geweest als de diagnose eerder was gesteld. De commissie acht dit klachtonderdeel ongegrond.

Datum uitspraak: 04-12-2019
Datum publicatie: 11-12-2019
Referentie: 20190054

20190069 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster verwijt verweerster en de praktijkondersteuner ouderenzorg dat zij nalatig zijn geweest in de verzorging en begeleiding van haar vader. Haar vader verkeerde na het overlijden van haar moeder in ernstige staat van verwaarlozing, vervuiling en isolement.
De commissie heeft begrip voor de lastige en verdrietige situatie waarin klaagster verkeerde, maar is van oordeel dat verweerster en de praktijkondersteuner voldoende adequate zorg en begeleiding hebben gegeven aan vader van klaagster. Zij hebben meerdere malen een huisbezoek bij haar vader afgelegd en hebben hem hulp aangeboden. Lichamelijk onderzoek en onderzoek naar zijn geheugenproblemen wees haar vader echter steeds af. Ook van klaagster wenste hij geen bemoeienis met zijn leven. Verweerster mocht aannemen dat zijn veiligheid bij hun bezoeken niet in het geding was De commissie acht de klacht ongegrond.

Datum uitspraak: 03-12-2019
Datum publicatie: 09-12-2019
Referentie: 20190069

20190046 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Bij klaagster is in 2018 een hernia gediagnosticeerd. Klaagster verwijt verweerster dat zij haar niet eerder heeft doorverwezen naar een neuroloog en te laat is begonnen met pijnbestrijding.
De commissie is van oordeel dat verweerster voldoende aandacht heeft gehad voor de klachten van klaagster. In november 2016 is een foto van de knie gemaakt en in mei 2017 een MRI van de lage rug, waarop een Bulging disc (begin van een hernia) werd gezien. Verweerster heeft klaagster doorverwezen naar de fysiotherapeut en naar een revalidatiecentrum. Pas in december 2018 werd er een hernia geconstateerd, nadat klaagster zich had gemeld met acute klachten. Het beleid van verweerster is niet anders dan het beleid dat zij zou hebben ingezet als er eerder een hernia zou zijn vastgesteld, namelijk rust, bewegen op geleide van de klachten en pijnstilling. Het enkele feit dat verweerster niet actief pijnstilling heeft gegeven, maakt de klacht niet gegrond. Klaagster heeft bovendien op verschillende momenten aangegeven dat de klachten verminderden. Verweerster heeft aldus voldoende adequaat gehandeld, conform de NHG standaard Lumbosacraal radiculair syndroom.

Datum uitspraak: 02-12-2019
Datum publicatie: 05-12-2019
Referentie: 20190046

20190086 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager verwijt verweerster dat zij geen geneeskundige verklaring wilde afgeven ten behoeve van een urgentieverklaring voor de aanvraag van een eengezinswoning voor zijn neef. Hij eist hiervoor een materiële en immateriële schadevergoeding.
De commissie stelt vast dat klaagster overeenkomstig de KNMG Richtlijn ‘Omgaan met medische gegevens’ heeft gehandeld. Hierin staat vermeld dat een arts wordt afgeraden om een geneeskundige verklaring af te geven, omdat de behandelrelatie tussen arts en patiënt vrij moet blijven van belangenconflicten die als gevolg hiervan kunnen ontstaan. Verweerster heeft steeds beargumenteerd aangegeven waarom zij op dit specifieke verzoek niet in kon gaan. Zij heeft de patiënt bij herhaling aangeboden om op het spreekuur te komen dan wel een huisbezoek af te leggen om zijn concrete hulpvragen te bespreken, hetgeen hij heeft geweigerd. De klacht is ongegrond.

Datum uitspraak: 02-12-2019
Datum publicatie: 05-12-2019
Referentie: 20190086

20190040 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster is van mening dat de huisarts in dienstverband (hierna HIDHA) van verweerder een verkeerde diagnose heeft gesteld bij de patiënt. Daarbij heeft hij ten onrechte een labformulier om bloed te laten prikken verstrekt en was sprake van slechte communicatie.
De commissie kan niet vaststellen dat er al tijdens het consult van 8 mei gesproken is over gewichtsverlies en dat de HIDHA daar actie op had moeten ondernemen. De HIDHA heeft de patiënt in verband met de pijnklachten die hij had verwezen voor het maken van een röntgenfoto. Omdat door luisteren naar de longen en de eigen anamnese niet duidelijk werd wat de oorzaak was van de klachten, was dat naar het oordeel van de commissie de juiste handelwijze. Op de foto was op dat moment nog niets zichtbaar. De radioloog heeft om die reden geen verdere actie geadviseerd. Op dat moment was er nog geen aanwijzing voor pathologie in de longen. Drie maanden later is alsnog een longcarcinoom geconstateerd, waarvan de afloop buitengewoon tragisch is. De toetsing van het handelen van de HIDHA van verweerder moet echter plaatsvinden in het licht van wat hem op dat moment bekend was en bekend kon zijn. Naar het oordeel van de commissie heeft de HIDHA, met wat hem op dat moment bekend was, adequaat gehandeld.
De gang van zaken rondom het labformulier om bloed te laten prikken is naar het oordeel van de commissie onzorgvuldig. Dit is van onvoldoende gewicht om de klacht van klaagster gegrond te verklaren.

Datum uitspraak: 11-11-2019
Datum publicatie: 21-11-2019
Referentie: 20190040

20190007 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

De klacht bestaat uit vier klachtonderdelen.
1. Klager verwijt verweerster dat zij ontkent dat klager op het spreekuur met een ontstoken talgklier is langsgekomen.
Bij het beoordelen van het handelen van verweerster gaat de commissie uit van hetgeen is vastgelegd in het journaal. Het journaal is kort na de feitelijke consulten opgesteld en vormt daarmee een belangrijke kenbron voor hetgeen destijds heeft plaatsgevonden. Als de inhoud ervan wordt weersproken bestaan er twee verschillende lezingen over de feiten. Als de commissie dan geen andere bronnen heeft die maken dat de lezing van klager aannemelijker is dan de lezing in het journaal, leidt dit tot een ongegrond verklaring van de klacht. Dit is niet gebaseerd op de redenering dat de ene lezing meer wordt geloofd dan de andere, maar dat
-om een klacht gegrond te laten zijn- de aan die klacht ten grondslag gelegde feiten niet komen vast te staan. Uit het medisch dossier volgt niet dat tijdens het consult bij verweerster, of tijdens het eerdere consult bij een collega, een ontstoken talgklier-cyste is gezien. De commissie verklaart klachtonderdeel 1 ongegrond.
2. Klager verwijt verweerster dat er in het medisch dossier van klager onjuistheden en persoonlijk grievende zaken staan en dat er zaken achteraf zijn veranderd.
De commissie kan bij lezing van het dossier niet vaststellen dat er zaken zijn veranderd in het medisch dossier, noch dat hetgeen is vastgelegd onwaar zou zijn. Klager heeft zijn stellingen hiervoor ook niet nader onderbouwd. De commissie verklaart klachtonderdeel 2 ongegrond.
3 + 4 Klager verwijt verweerster dat zij klager niet serieus neemt en gelooft, waardoor hij niet de behandeling krijgt die hij nodig heeft. Tevens verwijt hij verweerster dat er geen concrete antwoorden op vragen/klachten gegeven worden en dat de onderlinge communicatie tussen artsen en specialisten niet goed is. Gezien de samenhang van beide klachtonderdelen worden deze gezamenlijk besproken.
Uit het medisch dossier maakt de commissie niet op dat klager niet serieus is genomen. Er heeft onderzoek plaatsgevonden naar zijn klachten en er hebben verwijzingen plaatsgevonden naar een specialist. Klager is gezien door een uroloog, er heeft een second opinion plaatsgevonden bij een uroloog en klager is later verwezen naar een dermatoloog. Naar het oordeel van de commissie is conform de richtlijnen gehandeld en heeft verweerster de zorg van een goed hulpverlener in acht genomen. Klachtonderdeel 3 en 4 zijn ongegrond.

Datum uitspraak: 11-11-2019
Datum publicatie: 20-11-2019
Referentie: 20190007

20190050 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

20190050 Samenvatting geschillencommissie huisartsenzorg
Klaagster verwijt verweerder dat de triagist van de Huisartsenpost haar klachten van hooikoorts niet serieus heeft genomen en haar een verkeerd advies heeft gegeven.
De commissie oordeelt dat verweerder het verzoek van klaagster voor een persoonlijk consult terecht heeft geweigerd. Uit het waarneembericht van verweerder en de transcriptie van het gesprek is volgens de commissie voldoende komen vast te staan dat de triage conform de Nederlandse Triage Standaard heeft plaatsgevonden. De triagist heeft een (ABCD) veiligheidscheck gedaan, de urgentie-indicatie kon op U5 worden bepaald en klaagster is terugverwezen naar haar eigen huisarts met als vangnet dat zij bij aanhoudende klachten opnieuw contact kon opnemen. De klacht is ongegrond.

Datum uitspraak: 04-11-2019
Datum publicatie: 11-11-2019
Referentie: 20190050

20190026 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager heeft zich na zijn verblijf in Afrika direct gewend tot de huisartsenspoedpost met het verzoek bloed af te nemen voor onderzoek naar Bilharzia. Verweerder stelt aan de hand van onderzoek vast dat er geen sprake was van spoedeisendheid en heeft klager terugverwezen naar zijn eigen huisarts. Wel is hem de mogelijkheid aangeboden om urine in te leveren, waarvan klager geen gebruik heeft gemaakt.
Door zijn huisarts is klager verwezen naar het ziekenhuis en daar werd 4 dagen later een urineweginfectie vastgesteld. De commissie oordeelt dat de huisartsenspoedpost klager terecht heeft terugverwezen naar zijn eigen huisarts aangezien acute zorg niet geboden was en acht de klacht ongegrond.

Datum uitspraak: 16-09-2019
Datum publicatie: 24-10-2019
Referentie: 20190026

20190056 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager verwijt verweerder dat hij tussen 2013 en 2017 geen gehoor heeft gegeven op aan zijn herhaalde verzoeken om een preventief PSA-onderzoek. De verzoeken werden gedaan omdat zijn vader aan prostaatkanker was overleden. Verweerder heeft hem de kans op een beter leven ontnomen. Verweerder erkent dat klager in 2013 een verzoek heeft gedaan, maar betwist dat klager heeft gezegd dat zijn vader aan de aandoening was overleden; het ging om een vriend. Er waren toen geen klachten of andere aanwijzingen die aanleiding gaven om PSA-onderzoek te verrichten. Erna, tot 2017, heeft klager geen verzoeken meer gedaan.
De commissie oordeelt dat klager tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder niet aannemelijk gemaakt dat hij in de periode van 17 april 2013 tot 9 maart 2018 om een PSA-onderzoek heeft gevraagd. Na een consult in maart 2018 was er reden gezien voor een laboratoriumonderzoek, waarna verweerder klager naar een uroloog heeft verwezen. De commissie is van oordeel dat verweerder zorgvuldig heeft gehandeld. De klacht is ongegrond.

Datum uitspraak: 02-10-2019
Datum publicatie: 24-10-2019
Referentie: 20190056

20190058-59 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager verwijt verweerders dat zij onvoldoende aandacht hebben gehad voor zijn zieke echtgenote en op 4 en 6 maart geen contact met hem hebben opgenomen. Zijn echtgenote was erg ziek ten gevolge van een ontsteking aan haar been. Toen klager contact opnam met de praktijk van verweerders waren zij niet in de gelegenheid visite af te leggen. Verweerders betwisten dat zij onvoldoende aandacht hebben gehad voor de echtgenote van klager. Zij stellen dat er veel hulp is aangeboden, maar dat klager dit afhield. Verweerster heeft op 4 en 6 maart contact opgenomen met klager, maar daar hij stelde geen prijs op.
De commissie oordeelt dat verweerders voldoende aandacht hebben gehad voor de complexe situatie waarin klager en zijn echtgenote verkeerden. Er is zorg en hulp aangeboden, die klager heeft geweigerd. De klacht is ongegrond.

Datum uitspraak: 02-10-2019
Datum publicatie: 24-10-2019
Referentie: 20190058-59

20190027 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster is van mening dat verweerder onterecht een onvolledig obductieverslag heeft verstrekt. De klacht zoals geformuleerd door klaagster is naar het oordeel van de commissie ongegrond. Verweerder behoefde met inachtneming van zijn beroepsgeheim geen afschrift van het obductieverslag te verstrekken, maar kon een eigen afweging maken over wat hij met inachtneming van de geldende richtlijnen kon verstrekken. Verweerder heeft ervoor gekozen de familie te informeren op hooflijnen van de uitslag van het obductieverslag. Het is de commissie niet gebleken dat de door verweerder gemaakte afweging onjuist is geweest. Nu anderszins niet blijkt van bredere (veronderstelde) toestemming kan hierin geen klachtwaardig handelen van verweerder gezien worden.
Klaagster is tevens van mening dat verweerder tekort is geschoten in de zorg door slechte bereikbaarheid en door klaagsters zoon niet op te roepen voor controles.
Of verweerder geen juiste zorg heeft betracht door klaagsters zoon niet op te roepen voor controles, of hem naar een specialist te verwijzen, kan niet door de commissie worden vastgesteld. Uit de argumentatie van verweerder maakt de commissie op dat verweerder ook hier de afweging heeft gemaakt dat hij niet kon uitgaan van veronderstelde toestemming door klaagsters zoon om inzage te geven in zijn medisch dossier. Klaagster zelf heeft evenmin enige medische informatie overgelegd in de procedure. Zonder medische informatie kan de commissie niet beoordelen of medisch gezien juist is gehandeld door verweerder, dan wel dat hij actiever had behoren te handelen. Klachtonderdeel 2 van klaagsters klacht is daarmee eveneens ongegrond.

Datum uitspraak: 15-10-2019
Datum publicatie: 17-10-2019
Referentie: 20190027

20190043 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster dient een klacht in over de bejegening van een huisartsenpost jegens haarzelf en de (financiële) gevolgen daarvan. Zij belde de HAP echter voor haar zoon, zij was het er niet mee eens dat haar (meerderjarige) zoon een zelfzorgadvies had gekregen en vond dat er een consult moest plaatsvinden. De commissie verklaart de klacht niet-ontvankelijk.
Er is niet zonder meer sprake is van een gedraging jegens de cliënt nu het immers een gedraging jegens klaagster was. Nu deze gedraging echter plaatsvond in het kader van de zorgverlening aan de cliënt is er (mede) sprake van een gedraging jegens de cliënt. Dit punt leidt derhalve niet tot niet-ontvankelijkheid.
Klaagster is desondanks niet-ontvankelijk. Over de gedraging kan immers geklaagd worden door een beperkte in de Wkkgz met name genoemde groep klachtgerechtigden, waartoe klaagster niet behoort. Ook klaagt klaagster niet namens de patiënt, als gemachtigde. Dit volgt uit de bewoordingen van de klacht maar ook uit de ingestelde schadeclaim, die háár schade betreft en niet die van de patiënt. Gelet op artikel 14 en artikel 19 Wkkgz is klaagster niet klachtgerechtigd en daarmee niet-ontvankelijk in het geschil.

Datum uitspraak: 15-10-2019
Datum publicatie: 17-10-2019
Referentie: 20190043 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

20190020 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster is van mening dat verweerder geen adequate zorg heeft verleend tijdens de stervensfase van de patiënt.
De commissie is van oordeel dat als duidelijk is dat de laatste levensfase van een patiënt is aangebroken en er aangegeven wordt dat er sprake is van veel pijn, waarbij vanaf de ochtend meermalen is gebeld door de familie, verweerder de patiënt zelf had moeten bezoeken om de toestand van de patiënt te beoordelen. Dit is naar het oordeel van de commissie des te meer zo omdat verweerder de patiënt niet kende en er geen overdracht aan hem had plaatsgevonden. Verweerder heeft pas rond drie uur in de middag een visite afgelegd.
Over de gang van zaken tijdens de visite, verschillen de lezingen van klaagster en verweerder. De commissie kan over die gang van zaken dan ook geen op feiten gebaseerd oordeel geven. Wel is de commissie van oordeel dat verweerder zich in het verweer en in de dupliek uitermate onprofessioneel uit en zich niet toetsbaar opstelt.

Datum uitspraak: 22-07-2019
Datum publicatie: 10-10-2019
Referentie: 20190020

20180152 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager is van mening dat geen goede zorg is verleend tijdens twee contactmomenten met de huisartsenpost. Klagers klachten tot twee keer toe niet serieus genomen.
Tijdens het telefonisch consult tussen de ambulancebroeders en de dienstdoende huisarts van verweerder is het advies gegeven te starten met paracetamol. Er waren op dat moment geen aanwijzingen voor een acuut beeld. Na het tweede contact is klager een consult aangeboden. De dienstdoende huisarts heeft klager onderzocht en zag geen alarmsymptomen die verdere actie noodzakelijk maakte. Het waarneembericht vermeldt dat klager : “niet ziek” oogde. Er was sprake van milde drukpijn. De commissie is van oordeel dat op basis van dit beeld het, met de kennis van dat moment, nog niet nodig was klager voor verder onderzoek te verwijzen.
Wat opvalt is dat de lezing van klager en hetgeen vermeld is in de waarneemberichten van beide consulten verschilt. Het medisch dossier van de zorgaanbieder is voor de commissie een belangrijk oriëntatiepunt. De commissie verklaart de klacht van klager ongegrond.

Datum uitspraak: 22-07-2019
Datum publicatie: 10-10-2019
Referentie: 20180152

20180164 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster verwijt verweerder samengevat dat hij zonder haar toestemming informatie heeft verstrekt aan derden, een psychiater heeft geraadpleegd zonder met haar te overleggen en klaagster pijnlijke vragen heeft gesteld om een diagnose PPD uit te kunnen sluiten. Verweerder betwist het standpunt van klaagster. De commissie is van oordeel dat klaagster er zelf voor heeft gekozen om tijdens een consult in aanwezigheid van haar ex-partner te praten over PPD, waarbij het stellen van pijnlijke vragen volgens de commissie onderdeel uit maakt. Ook is de commissie van oordeel dat verweerder zorgvuldig heeft gehandeld door de casus van klaagster geanonimiseerd met een psychiater te bespreken. De commissie acht de klachten van klaagster ongegrond.

Datum uitspraak: 11-09-2019
Datum publicatie: 01-10-2019
Referentie: 20180164

20190004 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster klaagt over onbehoorlijk optreden van de HIDHA in de praktijk van verweerder. Verweerder voert aan dat niet hij, maar de HIDHA partij in de procedure is. De geschillencommissie dient haar aan te spreken.
Conform de Wkkgz is verweerder de zorgaanbieder en daarmee de verantwoordelijke partij in een geschillenprocedure. Hij is door de commissie in de gelegenheid gesteld te reageren op de klacht
van klaagster en daarbij een verweer van de HIDHA in het geding te brengen. Noch verweerder, noch de HIDHA hebben de klacht echter inhoudelijk weersproken. De commissie acht de klacht onweersproken en daarom gegrond.

Datum uitspraak: 19-08-2019
Datum publicatie: 05-09-2019
Referentie: 20190004

20190041 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager verwijt verweerster dat zij onjuiste informatie heeft verstrekt aan Veilig Thuis. Verweerster beroept zich volgens de commissie terecht op haar beroepsgeheim; de klacht is ongegrond. Verder verwijt klager verweerster een diagnose ten aanzien van zijn kinderen te hebben gesteld. Volgens de commissie is niet gebleken dat verweerster een diagnose heeft gesteld of een (behandel-) advies heeft. Vanuit haar zorg als huisarts heeft zij in de context van een geëscaleerde echtscheiding aan de ouders ter overweging meegegeven om hulp te zoeken. Zij heeft daarmee zorgvuldig gehandeld; de klacht wordt ongegrond verklaard.

Datum uitspraak: 17-07-2019
Datum publicatie: 02-09-2019
Referentie: 20190041

20180159 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster verwijt de HIDHA van de praktijk van verweerder, dat hij onvoldoende empathisch heeft gereageerd op haar klachten en haar heeft geadviseerd naar een psycholoog te gaan. Zij vordert een schadevergoeding voor de geleden materiële en immateriële schade.
De HIDHA van verweerder heeft volgens de geschillencommissie zowel aandacht gehad voor de fysieke als voor de psychische klachten van klaagster, door klaagster ter overdenking mee te geven dat haar fysieke klachten een mogelijke psychische oorzaak zouden kunnen hebben. De commissie is van oordeel dat de HIDHA hiermee zorgvuldig heeft gehandeld en acht de klacht ongegrond. Nu de klacht ongegrond is verklaard, komt de commissie niet toe aan een beoordeling van de gevorderde schade.

Datum uitspraak: 17-07-2019
Datum publicatie: 05-08-2019
Referentie: 20180159

20180107 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster is van mening dat de dienstdoende huisarts en triagiste van verweerder de diagnose appendicitis hebben gemist. Klaagster denkt dat bij eerder handelen de gevolgen minder ernstig zouden zijn geweest.
Op zichzelf behoeft het missen van de juiste diagnose –als dit al vast komt te staan- niet doorslaggevend te zijn voor het slagen van de klacht. De klacht is pas gegrond als vast komt te staan dat de wijze waarop verweerder tot de onjuiste diagnose is gekomen in strijd is met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame beroepsgenoot mag worden verwacht. De door klaagster ingediende klacht over de gemiste diagnose moet uitsluitend worden beoordeeld in het licht van wat er ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen bekend was en bekend kon zijn. Dit betekent dat bij de beoordeling van het handelen van de dienstdoende huisarts geen rekening kan worden gehouden met hetgeen later bekend werd. Ook achteraf valt niet vast te stellen dat tijdens het consult al sprake was van een blindedarmontsteking. De commissie verklaart de klacht van klaagster ongegrond.

Datum uitspraak: 25-06-2019
Datum publicatie: 31-07-2019
Referentie: 20180107

2018015 1 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster verwijt verweerster dat de huisarts in opleiding (hierna: AIOS) een infuus verkeerd heeft geprikt, waardoor een zenuw is beschadigd.
De commissie is van oordeel dat (de AIOS van) verweerster de ingreep heeft uitgevoerd conform de daarvoor aanvaarde norm in de beroepsgroep. Dat daarbij mogelijk een zenuw is geraakt is naar het oordeel van de commissie niet gerelateerd aan een onzorgvuldig handelen van verweerster. In die zin betreft het geen fout maar een (zeer zeldzaam voorkomende) complicatie van de behandeling. Verweerster valt op dit punt geen verwijt te maken.
Voor zover klacht zo zou moeten worden uitgelegd dat klaagster niet vooraf is geïnformeerd over de kans op een dergelijke complicatie geldt het volgende.
In de tuchtrechtspraak is de norm bepaald dat bij het informeren ook voorlichting hoort aangaande die risico’s en complicaties die zich kunnen voordoen bij die specifieke ingreep. Hiervoor geldt dat een arts de patiënt dient te informeren over de normale, voorzienbare risico’s van de behandeling. Een arts hoeft niet op alle mogelijke risico’s te wijzen. Welke risico’s moeten worden genoemd zal afhangen van de omstandigheden van het geval. De aard van het risico (blijvend letsel of ongemak van voorbijgaande aard) en de kans dat het risico zich verwezenlijkt (het incidentiepercentage) zijn daarbij belangrijke factoren. De informatieplicht zal in omvang toenemen naarmate het gaat om medisch niet of minder noodzakelijke ingrepen. Voorts zal de informatieplicht zwaarder tellen naarmate de behandelmethoden minder conventioneel zijn. De commissie ziet geen aanleiding in het kader van deze geschillenprocedure een andere maatstaf aan te leggen. De commissie verklaart de klacht van klaagster ongegrond.

Datum uitspraak: 25-06-2019
Datum publicatie: 31-07-2019
Referentie: 20180151

20190010 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager verwijt verweerder dat hij hem na ontvangst van een brief van de cardioloog niet direct heeft verwezen naar een longarts. Klager vindt dat verweerder had moeten begrijpen dat er sprake was van een aandoening van niet cardiologische aard.
De commissie stelt vast dat in voornoemde brief een echo wordt beschreven die zelf niet ter beschikking stond van verweerder. Het beoordelen van een echo behoort daarnaast niet tot het specialisme van een huisarts. Daarbij geldt dat dit onderzoek ook niet plaats vond op initiatief van verweerder. Er werd in deze brief ook niet verzocht aan verweerder om verdere actie te ondernemen. Dergelijke brieven worden verstuurd om de eerste lijn op de hoogte te houden van wat plaatsvindt in de tweede lijn. De commissie is van oordeel dat indien de cardioloog van mening was dat er naar aanleiding van de echo verder onderzoek had moeten plaatsvinden -en het zijn bedoeling was klager daarvoor terug te verwijzen naar de eerste lijn-, dit expliciet had dienen te gebeuren. Van verweerder, die een brief ontving van een specialist, zonder een directe opdracht aan hem hoefde naar het oordeel van de commissie niet verwacht te worden dat hij zelfstandig actie onderneemt. De commissie verklaart de klacht ongegrond.

Datum uitspraak: 25-06-2019
Datum publicatie: 31-07-2019
Referentie: 20190010

20180165 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster verwijt verweerder dat hij:
1. het advies van [naam zorgaanbieder] en diverse internisten om vitamine B12 injecties toe te dienen negeert.
De vitamine B12 waarde van klaagster was in november 2017 228. In de brief van de [naam zorgaanbieder] wordt gesproken van een vitamine B12 waarde van 234. Op grond van de richtlijn is een vitamine B12 tekort met deze waarden onwaarschijnlijk. Daarnaast was er sprake van een Hb van 8,9, er was daarmee geen sprake van anemie (bloedarmoede). Er was bij klaagster geen sprake van vitamine B12 waarden lager dan 148 pmol/l. Er was om die reden dan ook geen indicatie voor het geven van vitamine B12 injecties. De richtlijn geeft verder aan, dat als bij patiënten met een laag-normale B12-spiegel sprake is van klachten die suggestief zijn voor een vitamine-B12-tekort, een proefbehandeling met oraal vitamine B12 kan worden overwogen. In die situatie zijn echter injecties niet geïndiceerd maar is de eerst aangewezen behandeling orale toediening. Verweerder heeft conform de richtlijnen gehandeld. De commissie verklaart dit klachtonderdeel ongegrond.
2. behandeling met B12 injecties kwakzalverij noemt.
Verweerder heeft onvoldoende duidelijk gecommuniceerd met klaagster over zijn overwegingen om niet over te gaan tot het geven van vitamine B12 injecties. Het ware beter geweest, als verweerder had uitgelegd dat dit handelen wetenschappelijk niet bewezen is en daarbij niet conform de professionele standaard is. Inhoudelijk heeft verweerder gelijk, echter de kwetsbaarheid van klaagster en het feit dat zijn waarnemer wel overgegaan is tot het geven van vitamine B12 injecties, is reden om duidelijk te bespreken met klaagster, waarom hij niet wilde voldoen aan de uitdrukkelijke wens van klaagster om over te gaan tot het geven van vitamine B12 injecties. Verweerder had beter kunnen verwijzen naar het bestaande NHG-standpunt, in plaats van naar een door klaagster als kwetsend ervaren artikel. De commissie acht dit klachtonderdeel gegrond.

Datum uitspraak: 26-04-2019
Datum publicatie: 23-07-2019
Referentie: 20180165

20180103 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster verwijt verweerster het voorschrijven van Ciprofloxacine zonder onderzoek of urinetest, waardoor zij nu last heeft van ernstige bijwerkingen van de medicatie, waaronder Fibromyalgie.

Verweerster beschikt niet meer over het medisch dossier van klaagster, nu zij niet meer de behandelend huisarts is. Het medisch dossier is conform de geldende richtlijnen overgedragen aan de opvolgend huisarts door verweerster. Opvragen bij de twee opvolgend huisartsen door de commissie is zonder resultaat gebleven.

Wil de commissie een klacht gegrond kunnen verklaren en partijen verschillen van mening over hetgeen is voorgevallen, is noodzakelijk dat de feiten onomstotelijk komen vast te staan. Aanvullend bewijs voor de lezing van klaagster is nodig. Aanvullend bewijs is bijvoorbeeld het medisch dossier. Nu er geen aanvullend bewijs is, kan niet beoordeeld worden of er Ciprofloxacine is voorgeschreven zoals klaagster stelt, of dit op terechte gronden is voorgeschreven en of dit gebeurd is zonder dat er sprake was van urineonderzoek of medisch onderzoek. Om die reden kan niet beoordeeld worden of onjuist gehandeld is. De klacht van klaagster is om die reden ongegrond.

Datum uitspraak: 13-05-2019
Datum publicatie: 08-07-2019
Referentie: 20180103

20180132 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klagers vinden dat verweerder:
1. tekort is geschoten in de zorg door de patiënt niet te laten opnemen toen er sprake was van aanhoudende diarree;
2. zich onbeschoft heeft gedragen richting de patiënt en haar familie.
Klachtonderdeel 1 wordt gegrond verklaard door de commissie omdat verweerder geen lichamelijk onderzoek heeft verricht, niet duidelijk is of het medicatiebeleid is aangepast en er geen adviezen zijn genoteerd in het journaal. Verweerder is tekort is geschoten in de zorg in de periode waarin de patiënt met kanker en die net chemo had gehad, diarreeklachten had.
Klachtonderdeel 2 wordt ongegrond verklaard, omdat de lezingen van partijen verschillen.

Datum uitspraak: 13-05-2019
Datum publicatie: 08-07-2019
Referentie: 20180132

20180135 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster verwijt verweerder dat:
1. hij geen waarnemende huisartsenzorg meer wilde verlenen aan klaagster, als gevolg daarvan is klaagster verzocht zich tot een andere huisartsenpraktijk te wenden;
2. hij een brief (van 16 augustus 2018) heeft gevoegd bij een verwijzing die aan klaagsters echtgenoot is meegegeven.

Klachtonderdeel 1 wordt ongegrond verklaard. Voor de waarnemer geldt dat er veelal een duurovereenkomst tussen de waarnemer (verweerder) en degene voor wie waargenomen wordt (de vaste huisarts van klaagster) bestaat. Daarnaast ontstaan er –telkens als er een beroep op degene die waarneemt wordt gedaan- kortdurende behandelovereenkomsten tussen hem en de patiënt. Die behandelovereenkomsten worden beheerst door de richtlijnen die daarover bestaan, inclusief de KNMG Richtlijn omtrent het niet-aangaan en beëindigen van een behandelovereenkomst. Verweerder stelt dat er onvoldoende vertrouwen bestaat om in de toekomst weer een behandelovereenkomst aan te gaan. Dat klaagster dat anders beleeft, maakt het ontbreken van een vertrouwensband niet anders.
Klachtonderdeel 2 wordt gegrond verklaard. Door een brief (zonder toestemming) mee te geven aan een ander dan klaagster, heeft verweerder zijn beroepsgeheim geschonden.

Datum uitspraak: 13-05-2019
Datum publicatie: 08-07-2019
Referentie: 20180135

20180127 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster voelt zich niet serieus genomen door verweerder en er heeft geen directe verwijzing naar het ziekenhuis plaatsgevonden.

Er zijn twee contactmomenten tussen klaagster en verweerder (een huisartsenpost) geweest: een telefonisch contact dat geëindigd is in een zelfstandig advies van de triagiste en –een dag later- een consult bij de dienstdoende huisarts van verweerder.
Klaagster had rugpijn door een val. De triagiste heeft terecht als ingangsklacht genoteerd ‘trauma rugletsel’. Niet te rijmen valt dat vervolgens is ingevuld ‘trauma: nee’. Dit heeft tot gevolg gehad dat er een lagere urgentiewaardering plaatsvond, namelijk U5 in plaats van U3, waardoor klaagster niet daaropvolgend is gezien door (een huisarts van) verweerder. Dit maakt dat de commissie van oordeel is dat de klachten van klaagster onvoldoende serieus zijn genomen zodat de klacht in zoverre gegrond is.

De commissie stelt vast dat de dienstdoende huisarts bij het tweede contact klaagster heeft verwezen voor een röntgenfoto naar het ziekenhuis.
De dienstdoende huisarts heeft daar geen datum of dag aan heeft gekoppeld en evenmin een terugkomadvies. Ook de gedachtegang van de dienstdoende huisarts waarom het maken van een foto geen directe haast had in zijn opinie, ontbreekt in het waarneembericht. Het ware –vanuit zijn professionele rol- beter geweest als de dienstdoende huisarts regie had behouden op de vervolgstappen.
In het verweer wordt verwezen wordt naar NHG-standaarden en richtlijnen (onder andere de richtlijn osteoporose) die op de situatie van klaagster niet van toepassing zijn. Een en ander laat twijfels bestaan over het toepassen van het juiste beoordelingskader in deze zaak. Dit maakt de klacht voor dit contactmoment echter niet gegrond. Immers, de dienstdoende huisarts heeft klaagster verwezen voor een röntgenfoto.

Datum uitspraak: 13-05-2019
Datum publicatie: 04-07-2019
Referentie: 20180127

20180117 Tussenuitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster verwijt verweerder onzorgvuldig te hebben gehandeld door een brandwond met zalf (zilversulfadiazinecrème) te behandelen en daarbij zijn handen niet te hebben ontsmet. Afdekking van de brandwond zou niet nodig zijn. Voor de beoordeling van de klacht wordt de NHG behandelrichtlijn brandwonden gehanteerd, waarbij het gebruik van zilversulfadiazinecrème bij eerste – en tweedegraads brandwonden wordt afgeraden. Tevens dient een tweedegraads brandwond te worden afgedekt. Daarbij is in het waarneembericht niet het advies opgenomen om de wond te laten controleren binnen 24 - 48 uur en wat te doen bij een toename van de pijnklachten. De geschillencommissie gaat er vanuit dat er daarom geen follow-up afspraken zijn gemaakt. De klacht wordt gegrond verklaard.
Klaagster vraagt om schadevergoeding. De geschillencommissie stelt klaagster in de gelegenheid haar schade nader te onderbouwen.

Datum uitspraak: 28-03-2019
Datum publicatie: 24-06-2019
Referentie: 20180117

20180117 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster vordert materiële en immateriële schadevergoeding ten gevolge van onjuist handelen van verweerder. Centraal staat de vraag of er causaal verband kan worden aangetoond tussen de schade (posten) en het klachtwaardig handelen. Door het niet goed handelen van verweerder is de kans vergroot op het ontstaan van een infectie en daarbij de kans toegenomen op een langer genezingsproces.
Bij de beoordeling van de immateriële schade (art. 6:106 BW), sluit de commissie zoveel mogelijk aan bij het normenkader in de civiele rechtspraak, de jurisprudentie en de Richtlijnen van de letselschaderaad. De commissie komt daarbij tot het toekennen van een immateriële schadevergoeding van € 250,-. Verweerder is in het ongelijk gesteld en dient de kosten van het door klaagster betaalde griffierecht ad € 125,- te betalen. Voor de beoordeling van materiële schade is onvoldoende causaal verband aangetoond door klaagster.

Datum uitspraak: 08-05-2019
Datum publicatie: 24-06-2019
Referentie: 20180117

20180155 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Volgens klager had verweerder hem nader moeten testen op seksueel overdraagbare aandoeningen, bij een consult voor een test op het HPV virus en de behandeling van genitale wratten. Klager bleek later Chlamydia te hebben, waarbij zich geen klachten openbaarden, en stelt zijn partner te hebben besmet.
Uit de NHG standaard ‘het SOA consult’ blijkt dat het aanbieden van een SOA test geen verplichting is, maar een advies. Het ligt echter op de weg van de huisarts als deskundig zorgverlener om een risico-inschatting van de situatie van de klager te maken. Daarvoor was aanleiding, gezien leeftijd en sociaal leven van klager en consulten in voorgaande jaren. De commissie acht dit onderdeel gegrond.
De commissie acht een causaal verband tussen het achterwege blijven van de SOA-test en de gestelde besmetting van de partner van klager niet bewezen.

Datum uitspraak: 12-06-2019
Datum publicatie: 20-06-2019
Referentie: 20180155

20180141 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Volgens klager heeft de triagiste van huisartsenpost zijn minderjarige broer niet juist behandeld door niet afdoende te reageren op het ziektebeeld, de urgentie niet goed in te schatten en onprofessioneel en onbeleefd gedrag te vertonen. De commissie is van oordeel dat de triage naar behoren is uitgevoerd. De patiënt is binnen een half uur na binnenkomst op de HAP behandeld. Deze klachtonderdelen zijn ongegrond verklaard. Het klachtonderdeel met betrekking tot de bejegening is gegrond. De commissie oordeelt dat ook in gespannen situaties van medewerkers mag worden verwacht dat zij zich professioneel opstellen.

Datum uitspraak: 12-06-2019
Datum publicatie: 19-06-2019
Referentie: 20180141

20180169 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster voelt zich niet serieus genomen bij de behandeling van aandoeningen aan haar voeten. Een test op een schimmelinfectie had geen resultaat. In haar land van herkomst heeft zij van een arts medicatie gekregen voor een schimmelinfectie, die verbetering opleverde. De huisarts in Nederland wilde die medicatie niet uitschrijven. De huisarts en een collega waren weinig empathisch. Naar het oordeel van de commissie heeft de huisarts klaagster zorgvuldig behandeld. Beide huisartsen mochten klaagster aanspreken op haar gedrag. De zorgaanbieder mocht klaagster verder aanspreken op een ten onrechte gevraagde en gekregen griepprik. De klachten zijn ongegrond; schadevergoeding afgewezen.

Datum uitspraak: 12-06-2019
Datum publicatie: 19-06-2019
Referentie: 20180169

20180099 Tussenuitspraak geschillencommissie huisartsenzorg

Klaagster verwijt verweerder dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld, door haar rugklachten niet serieus te nemen, niet te behandelen en haar niet te verwijzen naar een specialist of een MRI te laten maken. Na toename van de klachten, waarbij sprake was van erge pijn en uitvalsverschijnselen, zijn door verweerder geen goede follow up afspraken gemaakt, waardoor een collega van verweerder onvoldoende op de hoogte was. Er is een delay van 4 dagen ontstaan alvorens te verwijzen naar een neuroloog. De klacht wordt gegrond verklaard.
Klaagster vordert een schadevergoeding van € 25.000,-. Na de tussenuitspraak is ter zitting over de hoogte van de mogelijke schade een schikking getroffen.

Datum uitspraak: 13-02-2019
Datum publicatie: 05-06-2019
Referentie: 20180099

20180076 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klacht over ontoereikende behandeling van diverse klachten afgewezen. Geen causaal verband tussen voorgeschreven medicatie en psychiatrische behandeling. Toereikende bewaking van medicatie. Voldoende informatie bij verwijzing naar psychiater. Schadevergoeding afgewezen.

Datum uitspraak: 18-01-2019
Datum publicatie: 14-05-2019
Referentie: 20180076

20180082 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klacht over bejegening door huisarts afgewezen. Onvoldoende onderbouwd dat de huisarts patiënt heeft geschoffeerd en daarmee heeft genoodzaakt zich te laten uitschrijven. Schadevergoeding afgewezen.

Datum uitspraak: 10-01-2019
Datum publicatie: 14-05-2019
Referentie: 20180082

20180061 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klacht over datalek ongegrond. Niet staat vast dat de huisarts het medisch dossier van patiënte zonder haar toestemming heeft verstuurd naar de praktijk waar zij zelf werkte. Spirometrietest ten onrechte wel verstuurd, maar klaagster heeft geen nadeel ondervonden. Ion-melding door klaagster zelf gedaan; geen verwijt aan huisarts. Schadevergoeding afgewezen.

Datum uitspraak: 10-01-2019
Datum publicatie: 14-05-2019
Referentie: 20180061

20180120 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klacht over ontoereikende behandeling van prostaatkanker. Klacht niet verjaard; wel ongegrond. PSA-waarden regelmatig gemeten; verwijzing naar uroloog. Voor de huisarts geen reden om biopt af te nemen. Schadevergoeding afgewezen.

Datum uitspraak: 04-03-2019
Datum publicatie: 14-05-2019
Referentie: 20180120

20180092 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klacht over ontoereikende behandeling van overleden echtgenoot van klaagster afgewezen. Klaagster heeft zonder instemming van de patiënt zelf geen aanspraak op afgifte van zijn medisch dossier. Uit de overgelegde gegevens blijkt voldoende dat de huisarts de echtgenoot toereikende behandeling en verwijzing heeft aangebonden, maar dat hij daarvan geen gebruik heeft gemaakt.

Datum uitspraak: 17-12-2018
Datum publicatie: 14-05-2019
Referentie: 20180092

20180008 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klacht over ontoereikende behandeling van vrijwel terminale patiënt deels gegrond. De huisarts had een grondiger eigen onderzoek moeten uitvoeren en moeten aandringen op ziekenhuisopname. Haar verslaglegging was beperkt, waardoor waarneming werd bemoeilijkt. Geen terecht verwijt dat de huisarts niet heeft meegeholpen bij de transfer uit het ziekenhuis naar een hospice, wel dat zij patiënt niet kort nadien in het hospice heeft bezocht. Zonder sluitende machtiging geen plicht om het medisch dossier aan stiefzoon af te geven. Zoon als nabestaande ontvankelijk in klacht. Schadevergoeding afgewezen.

Datum uitspraak: 28-01-2019
Datum publicatie: 14-05-2019
Referentie: 20180008

20180095 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klacht over weigering van huisbezoek door HAP ongegrond. Bij de triage zijn passende vragen gesteld; HAP kon in redelijkheid beslissen dat klager zelf naar de post kon komen, eventueel door zich te laten rijden. Klacht over de klachtafhandeling gegrond, want onzorgvuldig gedaan.

Datum uitspraak: 25-02-2019
Datum publicatie: 14-05-2019
Referentie: 20180095

20180038 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klacht over inadequate behandelingen afgewezen. Verwijzing naar maatschappelijk werk geen verantwoordelijkheid van huisarts. Klaagster heeft na ontheffing uit het gezag geen belang bij klacht over behandeling van haar zoon. Adequate verwijzing patiënt naar psychiater; huisarts niet verantwoordelijk voor wachtlijst. Schadevergoeding afgewezen.

Datum uitspraak: 10-01-2019
Datum publicatie: 14-05-2019
Referentie: 20180038

20180091 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Ongegronde klacht inhoudende niet tijdige verwijzing en niet serieus nemen pijnklachten aan linkervoet. Gevorderde schadevergoeding afgewezen. Zorgvuldig onderzoek door huisarts zoals blijkend uit journaal. Medisch correct en adequaat gehandeld bij distorsie van de linkervoet. Verklaringen klaagster over oorzaak pijnklachten inconsequent en niet consistent. Gestelde fractuur blijkt niet uit de stukken.

Datum uitspraak: 09-11-2018
Datum publicatie: 14-05-2019
Referentie: 20180091

20180067 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klacht over niet tijdig beantwoorden verzoek UWV om medische informatie deels gegrond verklaard. Geen verplichting huisarts informatie te verstrekken aan UWV. Huisarts in dit geval maatschappelijk onzorgvuldig gehandeld nu aan patiënt herhaaldelijk werd toegezegd dat informatie zou worden verstrekt. Schadevergoeding wegens gemaakte kosten voor bijwonen zitting afgewezen wegens ontbreken causaal verband tussen houden zitting en niet verstrekken informatie.

Datum uitspraak: 09-11-2018
Datum publicatie: 14-05-2019
Referentie: 20180067

20180100 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klacht over nalaten van foto van pols van 5-jarige zoon van klaagster ongegrond. Fysiek onderzoek voldoende zorgvuldig uitgevoerd; toen onvoldoende verdenking van breuk. Verantwoordelijkheid van de huisarts om verdergaand onderzoek te laten uitvoeren. Later gebleken breuk maakt het oordeel over het eerste onderzoek niet anders. Schadevergoeding afgewezen.

Datum uitspraak: 04-03-2019
Datum publicatie: 14-05-2019
Referentie: 20180100

20180075 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klacht over onzorgvuldige behandeling van maagklachten door arts in opleiding. Zorgvuldig onderzoek uitgevoerd, redelijkerwijs toereikende diagnose gesteld, dezelfde dag bevestigd door een HAP. Latere gegevens van opname in het buitenland onvoldoende relevant. Derdejaars aios bevoegd om consult uit te voeren. Klacht ongegrond; schadevergoeding afgewezen.

Datum uitspraak: 17-04-2019
Datum publicatie: 14-05-2019
Referentie: 20180075

20180146 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klachten: a) telefonische weigering om de HAP te bezoeken, b) slechte telefonische bereikbaarheid HAP, c) onzorgvuldige klachtafhandeling door HAP. Ad a: triagiste heeft voldoende uitvraag gedaan en kon conform richtlijnen tot de weigering komen. Ad b: slechte bereikbaarheid onvoldoende weersproken. Ad c: afhandeling klacht ontijdig en onzorgvuldig. Klachten B en C gegrond

Datum uitspraak: 17-04-2019
Datum publicatie: 14-05-2019
Referentie: 20180146

20180131 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Verwijt dat ten onrechte niet is verwezen naar neuroloog ongegrond. Vordering schadevergoeding afgewezen. Klacht over boosheid huisarts gegrond. Het is aan de arts om te beoordelen of verwijzing geïndiceerd is en daar op goede gronden over te beslissen. In casu zorgvuldige besluitvorming huisarts. Communicatie niet goed verlopen. Hogere eisen aan professional zoals huisarts om communicatie in goed banen te leiden.

Datum uitspraak: 30-04-2019
Datum publicatie: 14-05-2019
Referentie: 20180131

20180130 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klacht dat huisarts niet onverdoofd incisie had moeten zetten in ontstoken talgklier ongegrond. Onverdoofd incisie zetten behoort tot normaal medisch handelen huisarts. Geen verwijzing nodig. Behoort tot domein huisartsenzorg dergelijke ingrepen zelf te verrichten. Geen sprake van medisch onzorgvuldig handelen

Datum uitspraak: 30-04-2019
Datum publicatie: 14-05-2019
Referentie: 20180130

20180079 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klacht dat huisarts de klachten van patiënt niet serieus heeft genomen en de patiënt is overleden ten gevolge van fout huisarts is ongegrond. Uit het journaal blijkt dat de huisarts patiënt veelvuldig heeft gezien, steeds serieus is ingegaan op de klachten van patiënt, patiënt regelmatig heeft verwezen naar specialisten en dat sprake is van zorgvuldige dossiervorming.

Datum uitspraak: 21-01-2019
Datum publicatie: 04-05-2019
Referentie: 20180079

20180104 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Ongegronde klacht dat huisarts zonder toestemming een e-mail aan de dochter van klager heeft gestuurd en dat klager geen toestemming heeft verleend dat een student geneeskunde aanwezig was bij een consult. Klager spreekt zichzelf tegen nu hij wel toegeeft het e-mailadres te hebben verstrekt aan de huisarts. Commissie gaat uit van toestemming voor het aanwezig zijn van de student bij consult nu klager niet heeft weersproken de stelling van huisarts dat hij zoals gebruikelijk toestemming heeft gevraagd en verkregen.

Datum uitspraak: 21-01-2019
Datum publicatie: 04-05-2019
Referentie: 20180104

20180083 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager verwijt de huisarts dat zij het papieren dossier van klager is kwijtgeraakt en dat zij daardoor geen adequate zorg heeft ontvangen. De huisarts meent allereerst dat klager niet-ontvankelijk is in de klacht. Er is echter een schriftelijke reactie van de huisarts op de klacht zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid Wkkgz. Klager is daarmee ontvankelijk in zijn klacht. De klacht zelf is ongegrond. Wat de gang van zaken rond de overdracht van het dossier betreft spreken klager en huisarts elkaar tegen en zijn er geen andere aanknopingspunten om te kunnen vaststellen wie gelijk heeft. De commissie kan daarmee niet vaststellen of de huisarts klachtwaardig heeft gehandeld. Wat de klacht over adequate zorg betreft heeft klager geweigerd de huisarts inzage te geven in de medische gegevens. Wel heeft hij toestemming gegeven dat de commissie daar inzage in had, maar dat zou een ongelijkheid tussen partijen en schending van hoor en wederhoor opleveren. De feiten rond de zorg kunnen dus niet beoordeeld worden zodat niet vastgesteld kan worden dat er klachtwaardig is gehandeld.

Datum uitspraak: 20-02-2019
Datum publicatie: 01-05-2019
Referentie: 20180083

20180126 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager klaagt erover dat de assistente van de huisarts de klachten van klager niet serieus heeft genomen, waardoor niet direct is ontdekt dat klagers enkel was gebroken. Bij de beoordeling slaat de commissie acht op de NHG standaard enkelband letsel. De assistente heeft de NHG standaard enkelband letsel gevolgd. Omdat klager zijn voet kon belasten en de dag ervoor had gelopen, was een fractuur conform de Ottowa Ankle Rules onwaarschijnlijk. De gebruikelijke gang van zaken is dan rust geven en na twee dagen, als de zwelling is afgenomen, opnieuw beoordelen wat de oorzaak is van de pijn. Dat kan pas goed op dat moment, omdat de zwelling dan zal zijn verminderd en beter te onderzoeken is wat er aan de hand is. Nu klager niet is verschenen op de afspraak die na het eerste telefonische consult is gemaakt en ook in december 2017 niet heeft aangegeven dat hij nog (erge) klachten had, is het ook niet verwijtbaar aan huisarts dat de enkelbreuk niet eerder is ontdekt. De klacht is ongegrond en de gevorderde schadevergoeding is daarmee ook afgewezen.

Datum uitspraak: 18-03-2019
Datum publicatie: 17-04-2019
Referentie: 20180126

20180118 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster oneens met beëindiging van de arts-patiëntrelatie. Klacht afgewezen na toetsing aan de KNMG richtlijn ‘Niet-aangaan of beëindigen van geneeskundige behandelovereenkomst’. Klaagster heeft meermalen aangegeven geen vertrouwen te hebben in de praktijkvoering door huisarts. Huisarts heeft zorgvuldig gehandeld door diverse pogingen tot herstel, waarschuwingen en na opzegging vervolgens beschikbaar blijven voor noodhulp.

Datum uitspraak: 19-03-2019
Datum publicatie: 07-04-2019
Referentie: 20180118

20180098 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

De klacht is dat bij klager bij twee bezoeken aan de huisartsenpost de diagnose hart-infarct is gemist. Klager vindt dat er alleen gekeken is naar maagklachten, waardoor onnodig veel tijd is verstreken. Op zichzelf behoeft het missen van de juiste diagnose –als dit al vast komt te staan- niet doorslaggevend te zijn voor het slagen van de klacht. De klacht is pas gegrond als vast komt te staan dat de wijze waarop verweerder tot de onjuiste diagnose is gekomen in strijd is met de zorgvuldigheid die van de huisarts verwacht mocht worden. De commissie is van oordeel dat de dienstdoende huisarts bij het eerste bezoek, gezien de symptomen van klager, kon uitgaan van een diagnose maagpijn en niet van een acuut cardiaal probleem hoefde uit te gaan. Ook bij het tweede bezoek zijn de klachten waarmee klager zich meldt aspecifiek voor een cardiaal probleem. De klacht is daarmee ongegrond. De gevorderde schadevergoeding wordt daarmee eveneens afgewezen.

Datum uitspraak: 18-03-2019
Datum publicatie: 07-04-2019
Referentie: 20180098

20180032 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

1. Missen diagnose osteoporose. Dit klachtonderdeel is ongegrond. In het journaal van verweerder is geen omschrijving van pijnklachten of andere signalen vastgelegd die zouden kunnen wijzen op osteoporose. Klaagster geeft aan dat zij botklachten wel heeft genoemd, dit blijkt echter niet uit haar medisch dossier. Voor een oordeel of een bepaalde verweten gedraging verwijtbaar is moet kunnen worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Dit kan de commissie hier niet. 2. Klaagster verwijt verweerder dat hij in strijd met de door haar afgegeven medische machtiging heeft gehandeld. Klaagster heeft bij haar machtiging aangegeven dat er eerst (specifieke) toestemming van klaagster moest zijn en dat het verder enkel ging om stukken van de periode 2010-2017. Verweerder heeft ook stukken over de periode 2018 overgelegd. Daarmee heeft verweerder in strijd met de afgegeven machtiging gehandeld en zonder toestemming van klaagster de medische gegevens in deze procedure overgelegd. Dit klachtonderdeel is gegrond.
Klaagster vordert ook schadevergoeding. Die is echter verbonden aan het eerste –ongegronde- klachtonderdeel en wordt dus afgewezen.

Datum uitspraak: 09-01-2019
Datum publicatie: 05-04-2019
Referentie: 20180032

20180125 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klacht dat huisarts nalatig is geweest door te concluderen dat klaagster een keelontsteking had. Klacht ongegrond. Klaagster was enkele dagen tevoren ontslagen uit ziekenhuis waar zij was opgenomen in verband met een cavernoom. Huisarts was daarmee bekend. Bij visite concludeert huisarts dat klaagster keelontsteking heeft. Twee dagen later is klaagster opgenomen in een academisch ziekenhuis waarna ze ruim een week later is geopereerd wegens een lekkend cavernoom. Er is sprake geweest van voldoende onderzoek door huisarts waarna deze gelet op de symptomen uit kon gaan van diagnose keelontsteking.

Datum uitspraak: 15-03-2019
Datum publicatie: 22-03-2019
Referentie: 20180125

20180108 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager klaagt over de bejegening tijdens een telefonisch contact en een consult met de huisartsenpost. Klager voelde zich niet geholpen tijdens het telefonisch contact en had het gevoel dat een groepje mensen om de triagiste heen stond die hem zouden hebben uitgelachen. Uit niets blijkt dat klager niet serieus is genomen. Uit het waarneembericht en de overlegde transcripties van de gevoerde gesprekken blijkt dat de triagiste klager meerdere keren terug heeft gebeld en heeft aangeboden een ambulance te sturen. Klager heeft dit geweigerd en heeft aangegeven dat hij zelf naar de HAP zou toekomen. Evenmin is aantoonbaar gemaakt dat klager zou zijn uitgelachen door medewerkers van de huisartsenpost. De klacht is in zoverre ongegrond. Klager klaagt er ook over dat hij niet binnen twintig minuten gezien is door een arts toen hij op de huisartsenpost aankwam. Daarover heeft klager eerst bij de geschillencommissie geklaagd. Dat een klacht(onderdeel) eerst wordt behandeld door een klachtenfunctionaris is een voorwaarde voor het kunnen voorleggen aan de geschillencommissie. Met inachtname van artikel 7 lid 1 sub b van het Reglement Geschillencommissie Huisartsen en artikel 21 lid 1 sub c Wkkgz verklaart de commissie klager niet ontvankelijk in dit klachtonderdeel.

Datum uitspraak: 21-01-2019
Datum publicatie: 21-02-2019
Referentie: 20180108

20180045 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster is de dochter van de overleden patiënte. Klaagster is van mening dat haar moeder een geen non-reanimatieverklaring had afgegeven en wil om die reden inzage in het dossier. Dit is door de huisarts eerst geweigerd. De commissie verwijst naar de algemene regels rondom het medisch beroepsgeheim. Het beroepsgeheim eindigt niet bij het overlijden van een patiënt. Nabestaanden hebben in beginsel geen recht op inzage in het dossier van een overledene. Hierop bestaan uitzonderingen, waaronder de zogenoemde veronderstelde toestemming: als de toestemming van de overledene voor inzage na overlijden mag worden verondersteld. De huisarts stelt zich op het standpunt dat die veronderstelde toestemming ontbreekt. Echter: de huisarts heeft aangeboden over het medisch dossier van de patiënt te willen spreken en heeft bij haar verweer geput uit dat dossier. Dat ondergraaft het standpunt van de huisarts. De commissie heeft vervolgens het dossier opgevraagd en gekregen. Uit dat dossier bleek dat er een non-reanimatieverklaring was afgegeven. De klacht is ongegrond.

Datum uitspraak: 15-01-2019
Datum publicatie: 21-02-2019
Referentie: 20180045

20180011 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klacht over inadequate behandelingen afgewezen. Triage afgenomen; voldoende notie genomen van klachten van patiënte. Nadien polsklachten goed onderzocht, waarna verwijzing naar specialist. Idem tijdige verwijzing voor rugklachten. Schadevergoeding afgewezen.

Datum uitspraak: 13-09-2018
Datum publicatie: 09-01-2019
Referentie: 20180011

20180057 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klacht 1. Het stoppen met Prolia injecties, hetgeen wervel inzakkingen ten gevolge heeft gehad. 2. een gebrek aan betrokkenheid en voortvarendheid met betrekking tot de hevige rugklachten.
1. Klaagster heeft 10 jaar lang bot opbouwende medicatie heeft gekregen, die de laatste vijf jaar bestond uit Prolia injecties. Vervolgens is een dexascan gemaakt die een verbetering liet zien van de t-score van -3,9 naar -2.5. De grens waarop besloten wordt tot bot opbouwende medicatie ligt bij -2.5 of lager. Gezien de aanbevelingen in de NHG-Richtlijn Osteoporose en fractuur preventie, de score van -2.5 en de kans op bijwerkingen na langdurig gebruik van de medicatie, mocht verweerster besluiten tot het stoppen met de bot opbouwende medicatie om vervolgens te monitoren hoe de bot opbouw zou blijven. Een verband tussen stoppen met de bot opbouwende medicatie in maart 2017 en de geconstateerde “verse” wervelfractuur in juni 2017 is niet aangetoond. Ongegrond.
2. Na de constatering van een verse fractuur in juni 2017 had verweerster, mede gelet op de voorgeschiedenis van osteoporose, een actief vervolgbeleid met betrekking tot de osteoporose moeten afspreken. Nu dit is nagelaten is dit klachtonderdeel gegrond.

Datum uitspraak: 12-12-2018
Datum publicatie: 19-12-2018
Referentie: 20180057

20180028 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster verwijt verweerder dat zij zonder haar medeweten en toestemming verwezen is naar een instelling voor geestelijke gezondheidszorg (GGZ-instelling). Verweerder heeft erkend dat hij klaagster onterecht heeft verwezen. Verweerder heeft niet rechtstreeks contact gezocht met klaagster naar aanleiding van het kennelijk via de assistente door een derde gedane verzoek tot verwijzing. Daarmee is de klacht van klaagster gegrond.

Datum uitspraak: 19-11-2018
Datum publicatie: 18-12-2018
Referentie: 20180028

20180019 en 20180042 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Terechte klacht dat de huisarts onvoldoende heeft gedaan om de verstoorde relatie met patiënten te herstellen, hetzij in een gesprek, hetzij door middel van een schriftelijk antwoord op hun verwijten. Toereikende behandeling van orthopedische klachten van dochter van klaagster, want snel onderzoek en doorverwijzing. Ontoereikend onderzoek naar nekhernia van echtgenoot van klaagster. Klacht over ontoereikende behandeling van darmherniatie van andere dochter van klaagster onvoldoende onderbouwd. Summiere journaalgegevens van de huisarts.

Datum uitspraak: 17-10-2018
Datum publicatie: 18-12-2018
Referentie: 20180019 en 20180042

20180054 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klacht over onjuiste datering van verrichting ongegrond. Voldoende staat vast dat de verrichting niet op de door klager genoemde datum heeft plaatsgehad. Schadevergoeding afgewezen

Datum uitspraak: 13-09-2018
Datum publicatie: 21-11-2018
Referentie: 20180054

2017 G52 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klacht over uitgevoerde beleid bij fractuur pink. Klaagster stelt dat ten onrechte geen röntgenfoto is gemaakt, enkel living splint is aangelegd waardoor later spoedoperatie uitgevoerd moest worden. Klacht ongegrond. Nu sprake was van een fractuur en een normale stand van de pink hoefde klaagster niet te worden ingestuurd voor een foto en kon de dienstdoende huisarts volstaan met aanleggen living splint. Daarnaast adequaat advies over vervolgbeleid. Schadevergoeding afgewezen.

Datum uitspraak: 22-06-2018
Datum publicatie: 31-10-2018
Referentie: 2017 G52

20180025 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster is de dochter van de overleden patiënte. Klacht: Nalatig en onprofessioneel te handelen in de laatste fase van het leven van patiënte. Klaagster vindt verder dat verweerder tekort is geschoten in de coördinatie van de zorg rondom de patiënt en de bejegening rondom de euthanasiewens van de patiënt en na diens overlijden. Verweerder heeft de patiënte alleen gezien op 7 en 8 november 2017. De commissie is van oordeel dat verweerder toen adequaat heeft gehandeld. Hij heeft de patiënt onderzocht, een breuk uitgesloten en toen een verpleegbed niet lukte, voor verder beleid overlegd met de orthopeed. Wat zich nadien heeft afgespeeld is niet verwijtbaar aan verweerder. Evenmin is gebleken van onprofessioneel handelen door verweerder rondom de euthanasiewens van de patiënt. Bij dit alles is van belang dat vele zorgverleners en zorginstellingen in de laatste levensfase van patiënte een rol speelden en dat verweerder –niet zijnde de vaste huisarts- maar een beperkte rol had.

Datum uitspraak: 15-10-2018
Datum publicatie: 29-10-2018
Referentie: 20180025

20180023 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster is de dochter van de overleden patiënte. In verschillende klachtbrieven worden veel en van elkaar onderling afwijkende klachten benoemd. Bij een klacht moet het gaan over concrete feiten en gedragingen die expliciet door klaagster zelf moeten worden gepresenteerd. Daarbij kan niet worden volstaan met het stellen –zoals klaagster doet- van een groot aantal vragen over de kennelijk bij haar niet bekende gang van zaken. Dit komt neer op een fishing expedition en behoort niet tot de taak van de commissie. De commissie beperkt zich tot de voldoende concrete klachtonderdelen. Op een gegeven moment heeft verweerder gekozen om de contacten met de patiënte via de broer en schoonzus van klaagster en hun kinderen te laten verlopen. De commissie is van oordeel dat verweerder zorgvuldig heeft gehandeld door met één vaste contactpersoon binnen de familie te communiceren. Voor zover de grote hoeveelheid door klaagster geformuleerde vragen in het kader van de behandeling (mede) opgevat moet worden als de klacht dat het medisch dossier door verweerder niet (geheel) aan haar is verstrekt geldt dat ook na overlijden het medisch beroepsgeheim door verweerder in acht genomen dient te worden. Beide klachtonderdelen zijn daarmee ongegrond.

Datum uitspraak: 10-10-2018
Datum publicatie: 17-10-2018
Referentie: 20180023

20180053 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager is de echtgenoot van de overleden patiënte. Geklaagd wordt over verweerder als schouwarts. Verweerder stelde zijn bezoek twee uur uit en weigerde een vervanger te sturen. De klacht is ongegrond. De NHG (Nederlands Huisartsen Genootschap) Richtlijn “Lijkschouw voor behandelend artsen van juni 2016 noemt “zo spoedig mogelijk” en als uiterlijke termijn drie uur. Verweerder is daarmee binnen de door de richtlijn genoemde kaders gebleven en hoefde geen vervanger te regelen.

Datum uitspraak: 10-10-2018
Datum publicatie: 17-10-2018
Referentie: 20180053

20180056 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster vindt dat haar wettelijk recht op vernietiging van haar medisch dossier herhaaldelijk is genegeerd. Een patiënt heeft volgens artikel 7:455 BW het recht om, behoudens uitzondering die zich in deze zaak niet voordoen, zijn of haar dossiergegevens binnen drie maanden te laten vernietigen. De klacht zoals geformuleerd door klaagster is ongegrond, nu verweerster heeft verklaard dat zij het medisch dossier heeft vernietigd en er naar het oordeel van de commissie geen reden is om aan die uitspraak te twijfelen.

Datum uitspraak: 10-10-2018
Datum publicatie: 17-10-2018
Referentie: 20180056

20180064 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager voelt zich onheus bejegend tijdens een consult bij de huisarts in opleiding van verweerder. Verweerder heeft aangegeven dat de huisarts in opleiding zich niet herkent in het van haar geschetste beeld en de uitlatingen die door haar zouden zijn gedaan. Nu alleen klager en de huisarts in opleiding bij voornoemd consult aanwezig waren, is niet vast te stellen hoe het consult is verlopen noch hetgeen gezegd is. Dat brengt mee dat door de commissie niet kan worden vastgesteld of klachtwaardig is gehandeld. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van de klager minder geloof verdient dan dat van de huisarts in opleiding en verweerder, maar op de omstandigheid, dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan de commissie, ook als aan het woord van klager en van de huisarts in opleiding en verweerder evenveel geloof wordt gehecht, hier niet vaststellen. De commissie verklaart de klacht van klager ongegrond.

Datum uitspraak: 25-09-2018
Datum publicatie: 03-10-2018
Referentie: 20180064

20180039 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klacht: Medewerkers van de huisartsenpost (HAP) hebben niet zorgvuldig gehandeld en niet goed naar klager geluisterd. Klager meent dat zijn hartinfarct voorkomen had kunnen worden. In de periode 9, 10 en 11 oktober is meerdere keren contact geweest tussen klager en de HAP. Bij de eerste twee contacten is de commissie van oordeel dat juist gehandeld is door de betreffende dienstdoende huisartsen. Toen klager de derde keer contact opnam, had de triagiste naar het oordeel van de commissie tenminste overleg moeten voeren met de dienstdoende huisarts. De klacht is daarmee gegrond. Klager vordert ook een schadevergoeding van € 25.000,--. Naar het oordeel van de commissie staat onvoldoende vast en is er door klager onvoldoende causaal verband aangetoond tussen het handelen dan wel nalaten van verweerster en het optreden van schade. Zelfs indien de triagiste in de nacht van 11 oktober 2017 overleg had gevoerd met een dienstdoende huisarts en er andere adviezen zouden zijn gegeven aan klager, staat niet vast dat het beloop dan anders zou zijn geweest. De gevorderde schadevergoeding wordt daarom afgewezen.

Datum uitspraak: 11-09-2018
Datum publicatie: 19-09-2018
Referentie: 20180039

2017 G65 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klacht over een te lange wachttijd voor een verwijzing en MRI-scan i.v.m. rugpijn ongegrond. De huisarts heeft voldoende onderzoek uitgevoerd; adequate verwijzing naar fysiotherapeut, neuroloog en psycholoog conform NHG-richtlijnen. Gemotiveerde voorschrijving van morfine. Adequate behandeling van gynaecologische klachten. Behandelbeleid behoort bij de huisarts; terughoudendheid bij verwijzing voor een second opinion ook. Aanbeveling om de weigering van een second opinion niet te baseren op de kosten daarvan, maar niet klacht waardig. Schadevergoeding afgewezen.

Datum uitspraak: 11-07-2018
Datum publicatie: 19-09-2018
Referentie: 2017 G65

20180010 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager is van mening dat de zorg voor de wond aan zijn been onvoldoende zorgvuldig is geweest. De klacht is ongegrond. In het journaal zijn duidelijke notities gemaakt wat de stand van zaken was tijdens ieder consult. Ook zijn er duidelijke follow-up afspraken gemaakt. Tevens blijkt uit het journaal dat klager steeds werd geadviseerd terug te komen voor controle van de wond, hetgeen ook is geschied. Tijdens drie consulten besloten is de genezing van de wond af te wachten. De commissie acht dit beleid verdedigbaar. Toen bij het vierde consult het klinisch beeld was veranderd en de wond verslechterde, heeft verweerder klager direct verwezen. Verweerder heeft daarbij rekening gehouden met het feit dat klager een vakantie had gepland en om die reden niet langer afgewacht. De commissie is van oordeel dat verweerder heeft gehandeld zoals van een goed huisarts mag worden verwacht en dat verweerder heeft verwezen op het moment dat de wondgenezing gecompliceerder werd. De door klager gevorderde schadevergoeding wordt afgewezen nu de klacht ongegrond is.

Datum uitspraak: 23-08-2019
Datum publicatie: 10-09-2018
Referentie: 20180010

20180030 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Niet goed behandeld op de huisartsenpost vanwege discriminatie. Vast staat dat klaagster geruime tijd heeft moeten wachten bij de huisartsenpost. De klacht is echter niet gegrond. Een huisartsenpost is er in het weekend en in de avond/nacht uitsluitend voor spoedeisende situaties die niet kunnen wachten tot de volgende werkdag. Vanwege drukte of omdat spoedeisende patiënten voorrang krijgen kunnen soms lange wachttijden ontstaan. De commissie is van oordeel dat er in het geval van klaagster niet is gebleken van een dusdanig spoedeisende situatie dat klaagster direct gezien moest worden. Evenmin is gebleken dat discriminatie de reden van de lange wachttijd was.

Datum uitspraak: 23-08-2018
Datum publicatie: 28-08-2018
Referentie: 20180030

20180048 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster is de dochter van de overleden patiënt. Klacht 1: verkeerde diagnose stellen tijdens de visite op 26 januari 2018 en ten onrechte geen buikonderzoek verrichten. Klacht 2: Het klachtgesprek is niet naar tevredenheid verlopen.
1. Vast staat dat tijdens de visite van 26 januari 2018 geen buikonderzoek is verricht. Bij een patiënt met het klachtenbeeld is het niet zo dat een buikonderzoek altijd zou moeten plaatsvinden. Van belang is de algemene toestand van de patiënt. Bij deze patiënt was er sprake van een alleenstaande, oudere man, die niet vaak om hulp vroeg, die diabeet was en wiens dochter erg ongerust was. Indien onder deze omstandigheden besloten wordt tot een afwachtend beleid, moeten er goede afspraken gemaakt hadden worden omtrent de follow-up. De huisarts stelt die wel gemaakt te hebben, maar ze zijn niet opgenomen in het journaal en er kan niet vanuit worden uitgegaan dat ze zijn gemaakt. Gegrond.
2. De lezingen van het gesprek lopen uiteen en de commissie kan niet vaststellen wie gelijk heeft.
Ongegrond.
Klaagster vordert ook schadevergoeding van € 700,--. De schade die klaagster vordert is schade ten gevolge van het overlijden van de patiënt. De commissie kan niet vaststellen dat het overlijden van de patiënt heeft plaatsgevonden ten gevolge van het handelen dan wel nalaten door verweerster. Niet vaststaat dat als er anders zou zijn gehandeld en als er wel sprake was geweest van onderzoek van de buik of afspraken rondom de follow-up, de patiënt dan niet zou zijn overleden. Ook geldt, dat indien de patiënt op een later tijdstip zou zijn overleden, dezelfde kosten zouden zijn gemaakt. De schadevergoeding wordt afgewezen. (hangt samen met 20180049):

Datum uitspraak: 23-08-2018
Datum publicatie: 28-08-2018
Referentie: 20180048

20180049 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster is de dochter van de overleden patiënt. Klacht 1: De huisarts heeft op 30 januari 2018 geweigerd een visite af te leggen. 2. Het klachtgesprek is niet naar tevredenheid verlopen.
1. De commissie is van oordeel dat bij een zelfstandig wonende oudere patiënt die al meer dan een week ziek is, waarbij sprake is van verhoogde suikers en waarbij tot twee keer toe dringend wordt verzocht een visite af te leggen het tot de goede huisartsenzorg behoort om aan dat verzoek gevolg te geven, zelfs als dat enkel ter geruststelling is van de patiënt dan wel diens verzorgende. Gegrond. Of het beloop van de ziekte van de patiënt dan anders was geweest, kan de commissie echter niet vaststellen.
2. De lezingen van het gesprek lopen uiteen en de commissie kan niet vaststellen wie gelijk heeft.
Ongegrond.
Klaagster vordert ook schadevergoeding van € 700,--. De schade die klaagster vordert is schade ten gevolge van het overlijden van de patiënt. De commissie kan niet vaststellen dat het overlijden van de patiënt heeft plaatsgevonden ten gevolge van het handelen dan wel nalaten door verweerster. Niet vaststaat dat als er anders zou zijn gehandeld en als er wel sprake was geweest van onderzoek van de buik of afspraken rondom de follow-up, de patiënt dan niet zou zijn overleden. Ook geldt, dat indien de patiënt op een later tijdstip zou zijn overleden, dezelfde kosten zouden zijn gemaakt. De schadevergoeding wordt afgewezen. (hangt samen met 20180048)

Datum uitspraak: 23-08-2018
Datum publicatie: 28-08-2018
Referentie: 20180049

20180001 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Patiënt enkele uren na bezoek huisartsenpost overleden. Klacht dat de dienstdoende huisarts een foute diagnose heeft gesteld en patiënt ten onrechte niet heeft verwezen naar cardioloog gegrond verklaard. Ten onrechte heeft de dienstdoende huisarts de pijn op de borst geduid als myogeen van aard. Hij heeft een acuut coronair syndroom wel overwogen maar ten onrechte verworpen. Hoewel sprake was van factoren die niet wezen op een cardiale oorzaak waren er ook alarmsignalen zoals een plotseling opgetreden pijn op de borst waar geen verklaring voor was. Patiënt was roker en er was een taalbarrière. Klacht dat triagiste onjuiste inschatting heeft gemaakt van de spoedeisendheid van de klacht niet ontvankelijk nu deze geen deel heeft uitgemaakt van de eerdere klachtbehandeling maar pas is aangevoerd bij de geschillencommissie. Klacht dat inhoudelijk en procedurele behandeling van de klacht door de huisartsenpost niet juist is geweest is gegrond nu de huisartsenpost enkel een incidentenonderzoek door de incidentencommissie is gestart en de rapportage van deze commissie is gebruikt als eindoordeel in de klachtprocedure.

Datum uitspraak: 18-07-2018
Datum publicatie: 24-07-2018
Referentie: 20180001

2017 G68 Uitspraak schadevergoeding geschillencommissie Huisartsenzorg

Vervolg op eerdere uitspraak. Gemiste diagnose waardoor delay is ontstaan. Klaagster is fotograaf en heeft opdracht gemist. Beoordeling hoogte causale schade. Uitgangspunt bij de beoordeling van vermogensschade is artikel 6:96 BW dat bepaalt dat deze zowel geleden verlies als gederfde winst omvat. Zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij in civiele rechtspraak gevormde normenkader en jurisprudentie. Naar redelijkheid een bedrag toegewezen van € 800,- van de gevorderde € 1.281,- gemiste omzet, nu gederfde omzet niet gelijk is aan gederfde winst.

Datum uitspraak: 11-07-2018
Datum publicatie: 24-07-2018
Referentie: 2017 G68 Schadevergoeding

2017 G88 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klachten over ontoereikende behandeling van maag- en armaandoening en van letsel na een aanrijding. Gemotiveerd verweer van de arts, waarna klager niet meer heeft gerepliceerd. Aannemelijk dat klager herhaaldelijk en uitgebreid is onderzocht, behandeld en verwezen. Klachten ongegrond.

Datum uitspraak: 02-07-2018
Datum publicatie: 24-07-2018
Referentie: 2017 G88

2017 G91 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster vindt dat verweerder zijn zorgplicht niet is nagekomen ten aanzien van haar recidiverende blaasontstekingen en haar niet heeft verwezen naar een uroloog. Voor de beoordeling van deze klacht heeft de geschillencommissie in het bijzonder acht geslagen op de NHG standaard Urineweginfecties. Er zijn onduidelijkheden in het dossier waar het verwijzingen betreft. Een goede verslaglegging van de verwijzing ontbreekt, terwijl klaagster uitdrukkelijk ontkent dat de verwijzing heeft plaatsgevonden. In een dergelijk geval is de enkele stelling van de huisarts dat dit het geval is geweest niet voldoende. Het ligt bij deze stand van zaken op de weg van de huisarts om aannemelijk te maken dat zijn stelling dat hij klaagster heeft verwezen ook juist is. De huisarts is daar naar het oordeel van de geschillencommissie niet in geslaagd. De klacht is daarmee gegrond.

Datum uitspraak: 09-07-2018
Datum publicatie: 23-07-2018
Referentie: 2017 G91

20180003 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klacht over onterechte psychiatrische diagnose door huisarts afgewezen. De arts heeft zijn competenties niet overschreden; hij heeft slechts documentatie van andere zorgverleners in zijn dossier gehouden. Geen tekortschietende behandeling van psychische klachten van klaagster. Schadevergoeding afgewezen.

Datum uitspraak: 04-06-2018
Datum publicatie: 11-06-2018
Referentie: 20180003

2017 G82 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klacht over ontoereikende behandeling van burn out afgewezen. Verschil van inzicht tussen patiënt en huisarts over de aanpak; zorgvuldig onderzoek door de huisarts. Klacht over weigering om verklaring in het kader van een rechtszaak af te leggen eveneens ongegrond. Huisarts heeft ter zake geen verplichting; heeft zich niettemin wel ingespannen. Klacht over weigering om gegevens aan medisch dossier toe te voegen ongegrond. Patiënt heeft recht op correctie van feitelijke onjuistheden, niet op opneming van zijn eigen bevindingen aan de verslaglegging door de arts.

Datum uitspraak: 04-06-2018
Datum publicatie: 11-06-2018
Referentie: 2017 G82

20180006 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager klaagt erover dat hij geen inzage heeft gekregen in het dossier van zijn minderjarige dochter toen hij vroeg om inzage in het journaal met betrekking tot een bepaald consult. Tot kinderen de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt, treden ouders bij geneeskundige behandelingen op als hun wettelijk vertegenwoordigers en beslissen over de medische behandelingen die hun kind ondergaat. Vanaf 12 jaar tot 16 jaar samen met het betrokken kind. Die ouders hebben daartoe inzage nodig. Dit recht op informatie is niet onbeperkt. De arts kan informatie weigeren op grond van goed hulpverlenerschap: als een goede hulpverlening zou kunnen worden belemmerd of geschaad indien volledige informatie zou worden gegeven. De huisarts beroept zich daarop maar dat moet worden gepasseerd. Niet alleen heeft de huisarts in het kader van deze geschilbehandeling alsnog en zonder beperkingen de gevraagde informatie verstrekt maar tevens volgt uit die informatie (een feitelijke weergave van het consult) niet op welke wijze verstrekking daarvan aan klager in strijd zou zijn met het belang van het kind of een goede behandelrelatie in de weg zou staan. De klacht is in zoverre dan ook gegrond.

Datum uitspraak: 22-05-2018
Datum publicatie: 05-06-2018
Referentie: 20180006

2017 G37 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Tussenuitspraak. Klaagster heeft op de spoedlijn van de huisartsenpost (HAP) gebeld. Klaagster vindt dat de HAP onzorgvuldig heeft gehandeld omdat de klachten die ze tijdens het telefoongesprek met de huisartsenpost heeft aangeven niet juist zijn ingeschat. Klaagster heeft aangegeven dat ze pijn op de borst had, die ze omschreef als brandend, met uitstraling naar rug en beide armen. Uit de transcriptie volgt dat het een niet soepel lopend gesprek was waarbij de triagiste vaker vragen heeft moeten herhalen. Klaagster is niet direct gezien maar haar is een consult aangeboden 2,5 uur later. Op basis van haar klachten, haar voorgeschiedenis en het feit dat er kennelijk sprake van was dat klaagster zich niet goed kon uitdrukken, had zij naar het oordeel van de commissie direct gezien moeten worden en niet pas 2,5 uur later. De klacht is gegrond.
Klaagster vraagt ook schadevergoeding. De commissie stelt klaagster in de gelegenheid haar schade nader te onderbouwen.

Datum uitspraak: 06-03-2018
Datum publicatie: 05-06-2018
Referentie: 2017 G37

2017 G37 Uitspraak schadevergoeding geschillencommissie Huisartsenzorg

Uitspraak over de schadevergoeding. Klaagster stelt immateriële schade te hebben geleden, bestaande uit angst(gevoelens) en verlies van vertrouwen in de medische stand. Uit brieven van de psycholoog en de reumatoloog volgt dat er een toename van angst is na het voorval en doorgemaakt hartinfarct en verlies van vertrouwen. De commissie is van oordeel dat het causale verband (deels) voldoende onderbouwd is. Bij het handelen van verweerster weggedacht is aannemelijk dat klaagster een deel van angstgevoelens –ten gevolge van het infarct zelf- hoe dan ook zou hebben. De angst is echter versterkt door het verlies van vertrouwen in adequate medische hulp. Kort samengevat gaat het dus niet enkel om de angst dat een infarct zich opnieuw zal voordoen, maar dat dit gebeurt terwijl er door de medische stand (opnieuw) niet adequaat op gereageerd zal worden. In zoverre is er sprake van causale schade. In het licht van uitspraken van civiele rechters in vergelijkbare zaken brengt dit de commissie tot het toekennen van een vergoeding ter zake van immateriële schade van een bedrag van € 650,00.

Datum uitspraak: 29-05-2018
Datum publicatie: 05-06-2018
Referentie: 2017 G37

2017 G85 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klacht over ontoereikende behandeling van pijnklachten aan hand. Drie maanden na het eerste onderzoek door de huisarts bleek uit een foto een breuk. De commissie kan de feitelijke gang van zaken niet met voldoende zekerheid vaststellen. Klager is verschillende afspraken niet nagekomen. Onvoldoende staat vast dat klager de pijnklachten expliciet aan de huisarts heeft gepresenteerd, naast zijn andere aandoeningen tijdens bezoeken. Klacht ongegrond; schadevergoeding afgewezen.

Datum uitspraak: 16-05-2018
Datum publicatie: 01-06-2018
Referentie: 2017 G85

2017 G77 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager vindt dat hij langer dan noodzakelijk heeft moeten doorlopen met een slijmbeursontsteking. Klager vordert een schadevergoeding van € 4.899,00. De commissie is van oordeel dat de klacht ongegrond is. Klager heeft zich tijdens de consulten bij de huisarts naar het oordeel van de commissie niet gepresenteerd met alleen schouderklachten, passend bij een slijmbeursontsteking. Er was sprake van een algeheel beeld van spier- en gewrichtsklachten en moeheid. De commissie is dan ook van oordeel dat de huisarts de juiste stappen heeft gezet door klager eerst te verwijzen voor bloedonderzoek en vervolgens klager, ook op zijn verzoek te verwijzen naar een specialist om achter de oorzaak van de diverse klachten te komen. Nu de klacht ongegrond is, is er geen plaats voor een schadevergoeding.

Datum uitspraak: 16-05-2018
Datum publicatie: 22-05-2018
Referentie: 2017 G77

2017 G84 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager vindt dat er sprake is van een gemiste diagnose: de vinger van klager was niet gekneusd, maar gebroken. De aantekeningen in het huisartsenjournaal van het consult van 3 augustus 2017 zijn summier. Desondanks vermeldt het journaal wel dat er geen sprake is van “asdrukpijn” hetgeen erop wijst dat de huisarts klager adequaat heeft onderzocht en heeft geprobeerd uit te sluiten dat er sprake was van een fractuur. Het door de huisarts verrichte onderzoek voldoet aan hetgeen van de huisarts verwacht had mogen worden. De commissie verklaart de klacht van klager ongegrond en wijst de gevorderde schadevergoeding (€ 25.000,--) af.

Datum uitspraak: 16-05-2018
Datum publicatie: 22-05-2018
Referentie: 2017 G84

2017 G89 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster verwijt verweerder dat hij heeft verzuimd de uitslag van een -afwijkende- thoraxfoto door te geven. Vast staat dat de afwijkende uitslag van de thoraxfoto niet is meegedeeld aan klaagster. Evenmin is er gehandeld naar aanleiding van de afwijkende uitslag van de foto. Verweerder erkent dat de uitslag niet kenbaar is gemaakt aan klaagster. Verweerder heeft daar ook excuses voor gemaakt. De assistente geeft aan zich niets meer te kunnen herinneren van het telefoongesprek met klaagster waarin ze de uitslagen van foto en bloedonderzoek aan klaagster heeft meegedeeld. Nu de lezing van klaagster verder niet wordt ontkend of ontkracht moet worden uitgegaan van de juistheid van het door klaagster gestelde. De klacht van klaagster is daarmee gegrond.

Datum uitspraak: 16-05-2018
Datum publicatie: 22-05-2018
Referentie: 2017 G89

20180013 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klacht dat huisarts de diagnose hartinfarct heeft gemist ongegrond. Het missen van de juiste diagnose behoeft op zichzelf niet doorslaggevend te zijn voor het gegrond verklaren van de klacht. Klacht is pas gegrond als vast komt te staan dat de wijze waarop de huisarts tot de onjuiste diagnose is gekomen in strijd is met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame beroepsgenoot mag worden verwacht. Niet is gebleken dat de huisarts zijn onderzoek onzorgvuldig heeft verricht. Er was geen sprake van risicofactoren, geen andere klachten en geen afwijkend ECG.

Datum uitspraak: 08-05-2018
Datum publicatie: 15-05-2018
Referentie: 20180013

2017 G68 Tussenuitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Terechte klacht over missen juiste diagnose. Ten onrechte geen foto gemaakt. Bij latere foto bleek zodanige breuk dat operatie nodig was. Klaagster was gevallen en had pijnlijke rechter pink. Nu klaagster bij onderzoek erg overstuur was, daardoor niet goed was te onderzoeken en zelf graag röntgenfoto wilde, was maken foto beter geweest. Uit waarneembericht blijkt niet van advies bij blijvende klachten, waardoor delay is ontstaan van een week. Klaagster heeft schade geleden door gemiste opdracht als fotograaf. Krijgt gelegenheid deze nader te onderbouwen.

Datum uitspraak: 01-05-2018
Datum publicatie: 14-05-2018
Referentie: 2017 G68

2017 G69 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Gedeeltelijke gegrondverklaring klacht wegens beleid bij oorklachten en oorontsteking.
Verwijt dat te laat is verwezen naar KNO-arts en voorgeschreven zure druppels schade hebben veroorzaakt aan gehoor. NHG standaard ‘Otitis externa’. Huisarts heeft de in deze standaard voorgeschreven stappen niet gevolgd en niet gemotiveerd aangegeven om welke reden zij is afgeweken. Ook heeft het ontbroken aan voldoende regie. In zoverre klacht gegrond. Zeer onwaarschijnlijk dat zure druppels gehoorschade hebben veroorzaakt. Evenmin staat vast dat geen perforatie was opgetreden bij eerdere verwijzing. Schadevergoeding derhalve afgewezen.

Datum uitspraak: 01-05-2018
Datum publicatie: 14-05-2018
Referentie: 2017 G69

2017 G58 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Deze zaak ging over het beëindigen van de behandelrelatie. Klager meent dat de huisarts dit niet had mogen doen en vordert ook schadevergoeding. De huisarts schreef in een brief dat zij niet langer klagers huisarts kon zijn. Daaraan waren twee waarschuwingen voor herhaald (verbaal) agressief gedrag aan voorafgegaan en was aangegeven dat indien dit weer gebeurde de behandelrelatie niet zou kunnen worden voortgezet. De commissie is van oordeel dat de huisarts hierbij voldoende zorgvuldig heeft gehandeld. De commissie wijst daarbij op de richtlijn Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst (2005 van de KNMG (Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst). Daaraan doet niet af dat het gedrag van klager mogelijk aan hem niet verweten kan worden ten gevolge van een ziektebeeld. De klacht is daarmee ongegrond en de schadevergoeding dient dan ook afgewezen te worden.

Datum uitspraak: 23-04-2018
Datum publicatie: 02-05-2018
Referentie: 2017 G58

2017 G59 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster is de dochter van de overleden patiënt. De klachtonderdelen zien op een specifiek consult. Klaagster verwijt de huisarts bij dat consult de diagnose vaatlijden te hebben gemist. Daarbij beschrijft klaagster dat er bij patiënt bij dat consult sprake was van blauwverkleuringen bij een teen en enkele vingertoppen. Dit wordt weersproken door de huisarts en het medisch journaal noemt het niet. De commissie kan niet vaststellen welke van de twee lezingen juist is en in een zodanig geval kan niet worden vastgesteld dat de huisarts op dit punt klachtwaardig heeft gehandeld. In zoverre is de klacht ongegrond. Klaagster verwijt de huisarts tevens dat hij de diabetes van de patiënt verkeerd heeft behandeld. Dit onderdeel van de klacht is gegrond. Vanwege de belaste voorgeschiedenis van de patiënt had het op de weg van de huisarts gelegen om de patiënt actief te volgen en duidelijke afspraken met hem te maken dat als de klachten niet zouden verbeteren met een week, hij terug diende te komen. Een dergelijke afspraak is niet in het journaal. Er is alleen “uitleg” is genoteerd, maar niet wat hij dan heeft uitgelegd of welke afspraken zijn gemaakt. Nu de huisarts niet heeft opgeschreven waaruit zijn onderzoek heeft bestaan, noch een duidelijke follow up heeft afgesproken, heeft de huisarts zijn standpunt dat hij een en ander wel heeft gedaan onvoldoende onderbouwd.

Datum uitspraak: 23-04-2018
Datum publicatie: 02-05-2018
Referentie: 2017 G59

2017 G71 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

De klacht van klager betreft de slechte bereikbaarheid van de praktijk, het moeizaam een afspraak kunnen maken en slechte geleverde zorg/bejegening. Klager heeft ondanks herhaald verzoek daartoe de geschillencommissie geen toestemming gegeven de op de klacht betrekking hebbende medische, verpleegkundige en andere bescheiden, voor zover van belang voor het onderzoek van de klacht, in te zien en op te vragen. De stellingen van klager met betrekking tot de praktijkorganisatie van de huisarts zijn daarmee niet te verifiëren. Dit geldt ook voor de klacht over de slecht geleverde zorg en de bejegening. De lezingen van klager en de huisarts staan lijnrecht tegenover elkaar en er zijn verder geen aanknopingspunten om aan de ene lezing meer waarde toe te kennen dan aan de andere. De klachten kunnen daarom niet gegrond worden verklaard.

Datum uitspraak: 23-04-2018
Datum publicatie: 02-05-2018
Referentie: 2017 G71

2017 G73 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster verwijt de huisarts dat hij zonder toestemming van klaagster vragen beantwoord die zijn gesteld door de advocaat van de ex-partner van klaagster. De commissie acht de klacht gegrond. De hoofdregel dat er geen informatie wordt verstrekt zonder toestemming geldt alleen niet als er sprake is van een wettelijke verplichting of als er sprake is van een conflict van plichten. De commissie is van oordeel dat er in de onderhavige kwestie geen sprake is van een conflict van plichten. De huisarts heeft niet alles in het werk gesteld om toestemming te verkrijgen, maar was de mening toegedaan dat hij de informatie kon verstekken omdat hij ook informatie had verstrekt aan klaagster en omdat er sprake zou zijn van hoor en wederhoor. Er waren geen aanwijzingen dat door het niet verstrekken van informatie sprake was van ernstige schade. Dit klemt temeer omdat klaagster al drie jaar geen patiënt meer was van de huisarts en daarmee ook niet op de hoogte kon zijn wat de situatie tussen klaagster en haar ex-partner was.

Datum uitspraak: 23-04-2018
Datum publicatie: 02-05-2018
Referentie: 2017 G73

2017 G76 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager is de echtgenoot van de overleden patiënte. Klager vindt dat de huisarts geen goede zorg heeft geleverd aan de patiënte tijdens de laatste dagen van haar leven nadat ze ontslagen was uit het ziekenhuis. De huisarts is op consult geweest en heeft daarover genoteerd in het medisch journaal dat de zorg de familie zwaar valt en “in overleg, opstarten thuiszorg, kijken hoe het gaat. Worden vanmiddag nog terug gebeld door het ziekenhuis, evt heropname.” Daarna is er geen contact meer geweest tussen huisarts en familie. De commissie oordeelt dat de huisarts tekort is geschoten. Huisartsgeneeskundige zorg is continue zorg. De huisarts zorgt voor continuïteit van zorg tijdens ziekte-episodes en gedurende de levensloop. De huisarts werkt samen met andere zorgverleners en zorgt door zijn regierol voor samenhang in de zorg. De huisarts spant zich extra in voor persoonlijke continuïteit als het gaat om patiënten in een palliatieve of terminale fase. Adequate regie heeft ontbroken nu de huisarts niet meer nagetrokken heeft of thuiszorg daadwerkelijk was opgestart of dat heropname nodig was. De klacht is gegrond.

Datum uitspraak: 23-04-2018
Datum publicatie: 02-05-2018
Referentie: 2017 G76

2017 G78 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster is de dochter van de overledene patiënt en patiënte. Klaagster klaagt over het ontbreken van enige steun van de huisarts tijdens de ziekte en bij het overlijden van haar ouders. Omdat de praktijk van de huisarts steeds meer een opleidingspraktijk geworden met praktijkassistentes, ondersteuners en coassistenten was de vaste huisarts veel minder betrokken bij de zorg voor haar beide ouders. De huisarts heeft aangegeven hoe zijn praktijk is georganiseerd en dat er weliswaar niet altijd door hem zelf zorg is verleend, maar dat de zorg die verleend is wel goed was. De commissie kan niet vaststellen dat er inderdaad onvoldoende zorg zou zijn geleverd. Voor zover er geklaagd wordt over gedrag van de praktijkassistentes kan de commissie dit bij de tegenstrijdige lezingen evenmin op juistheid beoordelen. Dit leidt tot een ongegrondheid van de klacht.

Datum uitspraak: 23-04-2018
Datum publicatie: 02-05-2018
Referentie: 2017 G78

2017 G81 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

De klachten hebben betrekking op de houding van de huisarts tegenover klaagster in haar hoedanigheid van een van de twee ouders met gezag over hun minderjarige dochter. Indien er twee gezag dragende ouders zijn dienen zij gezamenlijk de beslissingen te nemen. Als één van beide gezag dragende ouders op het spreekuur verschijnt, mag de arts er vanuit mag gaan dat deze mede namens de andere gezag dragende ouder spreekt, óók als er sprake is van een echtscheiding. Dit is anders als er aanwijzingen voor het tegendeel zijn. Klaagster klaagt erover dat haar geen toestemming is gevraagd voor een behandeling. Die klacht is gegrond, nu de huisarts zelf verklaard op de hoogte te zijn van de moeizame situatie thuis. Er had dus ook uitdrukkelijke toestemming van klaagster gevraagd moeten worden. Klaagster klaagt erover dat aan haar geen inzage in het dossier van haar dochter verstrekt wordt. Ook die klacht is gegrond. Klaagster verzoekt vervolgens toekenning van een schadevergoeding nu zij het contact met haar dochter is verloren waar zij verweerder verantwoordelijk voor houdt. Naar het oordeel van de commissie is er door klaagster onvoldoende causaal verband aangetoond tussen het handelen dan wel nalaten van de huisarts en het verlies van het contact met haar dochter. De gevorderde schadevergoeding wordt daarom afgewezen.

Datum uitspraak: 23-04-2018
Datum publicatie: 02-05-2018
Referentie: 2017 G81

2017 G45 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Patiënt met verstandelijke beperking in beschermde woonvorm. De HAP wordt gebeld in verband met een verdenking van een CVA. De klacht betreft 1) een te trage behandeling (consult U3) en 2) een onjuiste klachtafhandeling. Eerste klacht ongegrond: triagiste heeft telefonisch adequaat onderzoek uitgevoerd aan de hand van het geldende protocol, ook na melding van de verslechtering van de situatie van patiënt. Schadevergoeding afgewezen. Klachtonderdeel 2 gegrond: trage, onzorgvuldige afhandeling van de klacht.

Datum uitspraak: 18-04-2018
Datum publicatie: 02-05-2018
Referentie: 2017 G45

2017 G87 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager is van mening dat verweerder onterecht het afgeven van een medische verklaring ten behoeve van een gerechtelijke procedure heeft geweigerd. Bij de beoordeling van het handelen in onderhavige klacht is van toepassing de KNMG Richtlijn omgaan met medische gegevens, waarin het afgeven van een medische verklaring door de behandelend arts wordt afgeraden. De behandelrelatie tussen arts en patiënt dient vrij te blijven van belangenconflicten, die mogelijk kunnen spelen bij het al dan niet afgeven van een geneeskundige verklaring. De commissie stelt vast dat verweerder heeft gehandeld overeenkomstig de Richtlijn en acht de klacht van klager dan ook ongegrond.

Datum uitspraak: 16-04-2018
Datum publicatie: 02-05-2018
Referentie: 2017 G87

2017 G40 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager vindt dat verweerder hem had moeten verwijzen voor het maken van een foto van zijn voet. Vast staat dat verweerder een fractuur heeft gemist. Dat is echter onvoldoende om de klacht gegrond te maken. De klacht is pas gegrond, als vast komt te staan dat de wijze waarop verweerder tot de onjuiste diagnose is gekomen in strijd is met de zorgvuldigheid die van een huisarts mag worden verwacht. Verweerder heeft de voet/enkel van klager adequaat onderzocht en heeft geprobeerd uit te sluiten dat er sprake was van een fractuur. Het door verweerder verrichte onderzoek voldoet aan hetgeen van verweerder verwacht had mogen worden.
De klacht is daarmee ongegrond. De gevorderde schadevergoeding wordt daarmee ook afgewezen.

Datum uitspraak: 06-03-2018
Datum publicatie: 02-05-2018
Referentie: 2017 G40

20180072 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Ongegronde klacht inhoudende dat de huisarts klager heeft gediagnosticeerd als een narcist, terwijl hij daartoe niet bekwaam is, en dat deze een rol heeft gespeeld in het vertrek van klagers ex-echtgenote waardoor het gezin van klager is ontwricht. Dat de huisarts in een brief naar de GGZ heeft geschreven dat klager narcistische trekken vertoont betekent nog niet dat er een diagnose narcistische persoonlijkheidsstoornis is gesteld door de huisarts. Voor het overige zijn de verwijten van klager onvoldoende onderbouwd.

Datum uitspraak: 20-03-2018
Datum publicatie: 29-04-2018
Referentie: 20180072

2017 G51 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Ongegronde klacht over weigering spoedvisite. Assistente heeft op grond van triage-richtlijnen bepaald dat er geen sprake was van zodanige spoedeisendheid dat spoedvisite noodzakelijk was. Huisarts heeft beslissing assistente geaccordeerd.
Klacht over onterecht beëindiging van de behandelovereenkomst gegrond. KNMG richtlijn ‘Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst’. Geen sprake van zodanige gewichtige reden dat huisarts kon overgaan tot beëindiging van de behandelrelatie, nu niet is te achterhalen en vast te stellen wat precies is gezegd in gewraakte gesprek over geweigerde visite. Zorgvuldigheidseisen niet in acht genomen.

Datum uitspraak: 21-02-2018
Datum publicatie: 26-02-2018
Referentie: 2017 G51

2017 G26 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Ongegronde klacht over het toedienen van een cosmofer (ijzer)injectie door assistente. Huisarts heeft voldoende gewaarborgd dat injecties door de assistente op juiste wijze worden toegediend nu deze injectie is gegeven door een ervaren en gediplomeerde assistente die regelmatig injecties geeft en de techniek van injecteren is vastgelegd in een protocol. Huisarts heeft de chronische pijnklachten na toedienen injecties niet kunnen voorzien en daar klaagster ook niet voor hoeven waarschuwen.

Datum uitspraak: 24-01-2018
Datum publicatie: 20-02-2018
Referentie: 2017 G26

2017 G56 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager heeft contact opgenomen met de praktijk van de huisarts met toenemende pijnklachten bij de maagstreek en steken bij het hart met het doel de huisarts te zien. Onduidelijk is om welke reden er niet direct een afspraak is gemaakt of waarom er niet later teruggebeld is. Het niet gehonoreerde verzoek om een consult of visite ten gevolge van miscommunicatie binnen de praktijk van de huisarts valt onder diens verantwoordelijkheid. Klager was bekend met nierstenen en gaf ook aan daar zelf aan te denken. In een dergelijk voorkomend geval is het gebruikelijk een afspraak te maken. De huisarts heeft ook erkend dat het niet goed is gegaan rondom de aanvraag van een consult die dag. In zoverre is de klacht gegrond. De commissie is om die reden van oordeel dat het door klager betaalde griffierecht ad € 50,00 ten laste van de huisarts komt.

Datum uitspraak: 12-02-2018
Datum publicatie: 20-02-2018
Referentie: 2017 G56

2017 G44 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager heeft bij zijn klacht een schadevordering ingesteld die meer bedraagt dan € 25.000,00. Onder verwijzing naar artikel 20 Wkkgz en artikel 7 van het geschillenreglement gaat dit de geschillenprocedure te boven. De geschillencommissie heeft klager niet ontvankelijk verklaard in diens klacht.

Datum uitspraak: 04-01-2018
Datum publicatie: 20-02-2018
Referentie: 2017 G44

2017 G36 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster voelt zich niet serieus genomen door verweerster in haar klachten en had moeten overgaan tot het voorschrijven van vitamine B12 injecties. Voor de beoordeling van deze klacht heeft de geschillencommissie in het bijzonder acht geslagen op de NHG standaard Anemie (bloedarmoede) en op het NHG-Standpunt Diagnostiek van vitamine B12 deficiëntie. Verweerster heeft conform richtlijnen gehandeld en de daarin genoemde onderzoeksmethode en behandelwijze heeft uitgevoerd. Verweerster heeft als een goed hulpverlener gehandeld. Verweerster is niet overgegaan tot het geven van de door klaagster gewenste injecties. Naar het oordeel van de commissie was verweerster daartoe ook niet gehouden omdat het geven van injecties niet was geïndiceerd.
Nu het geschil niet gegrond is wordt de ook gevorderde schadevergoeding afgewezen.

Datum uitspraak: 05-02-2018
Datum publicatie: 12-02-2018
Referentie: 2017 G36

2017 G28 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klacht over behandeling van terminale kankerpatiënt afgewezen. Behandeling was gericht op comfort, niet meer op genezing dat zinloos medisch handelen zou zijn. Adequate medicatie voorgeschreven. Geen plicht van de huisarts om patiënt in het ziekenhuis op te zoeken; korte duur van de opname, geen verzoek van de familie. Onderzoek van enkele jaren eerder toereikend uitgevoerd.

Datum uitspraak: 08-01-2018
Datum publicatie: 09-01-2018
Referentie: 2017 G28

2017 G25 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Na overlijden patiënt door hartinfarct klacht dat verkeerde diagnose is gesteld door HAIO ongegrond verklaard. Commissie stelt op grond van hetgeen in journaal is vermeld vast dat HAIO patiënt zorgvuldig heeft onderzocht. Uit journaal blijkt niet van klachten die zouden kunnen wijzen op (doorgemaakt) hartinfarct. Lezingen over wat tijdens consult is gezegd verschillen. Empathie huisarts had beter gekund.

Datum uitspraak: 21-12-2017
Datum publicatie: 04-01-2018
Referentie: 2017 G25

2017 G24 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klacht dat ten onrechte geen lichamelijk onderzoek is verricht gegrond verklaard. De NHG standaard ‘Mictieklachten’ schrijft voor dat bij mannen met mictieklachten onder meer een rectaal toucher verricht dient te worden. Dit is niet gebeurd. De huisarts heeft niet aangegeven op grond waarvan van deze richtlijn is afgeweken. Klacht over te late verwijzing naar uroloog afgewezen nu gezien de aard van de klachten, immers geen retentieklachten, daartoe geen indicatie was. Een directe verwijzing wordt in de NHG standaard niet voorgeschreven.

Datum uitspraak: 11-12-2017
Datum publicatie: 19-12-2017
Referentie: 2017 G24

2017 G29 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Gegronde klacht dat huisarts zonder toestemming informatie over klaagster aan derden heeft verstrekt. Huisarts heeft erkend dat zij informatie over klaagster heeft verstrekt aan de Raad voor de Kinderbescherming, zonder dat zij daarvoor toestemming had van klaagster. Daarnaast heeft de huisarts ingezien dat de verstrekte informatie inhoudelijk onjuist was. KNMG richtlijn ‘Omgaan met medische gegevens’.

Datum uitspraak: 11-12-2017
Datum publicatie: 19-12-2017
Referentie: 2017 G29

2017 G31 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klacht over afgifte medische verklaring gegrond verklaard. Toetsing aan KNMG richtlijn ‘Omgaan met medische gegevens’. Brief van huisarts aan ex-partner van klaagster welke ook medische informatie over klaagster bevat, zonder toestemming van klaagster. Brief bevat medische verklaring en niet enkel objectieve feitelijke medische informatie.

Datum uitspraak: 12-12-2017
Datum publicatie: 19-12-2017
Referentie: 2017 G31

2017 G35 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster heeft de huisarts verzocht om een verwijzing naar [naam kliniek]. De huisarts heeft een verwijzing naar [naam kliniek] geschreven voor een second opinion. Klaagster vindt dat de huisarts geen verwijzing voor een second opinion had moeten geven. De huisarts stelt dat klaagster nu juist om een verwijzing voor een second opinion had gevraagd. Nu alleen klaagster en de huisars betrokken waren bij de gang van zaken rondom de verwijzing, is niet vast te stellen hoe die gesprekken precies zijn verlopen. De commissie kan dus niet vaststellen dat er klachtwaardig is gehandeld. Klaagster vindt ook dat de huisarts haar onheus heeft bejegend. Daarvoor geldt hetzelfde. De klacht is daarmee ongegrond.

Datum uitspraak: 12-12-2017
Datum publicatie: 19-12-2017
Referentie: 2017 G35

2017 G14 Uitspraak schadevergoeding geschillencommissie Huisartsenzorg

Invloed eigen risico op hoogte schadevergoeding. Bij toewijzing schadevergoeding in verband met door klager betaalde kosten waarvoor klager aansprakelijk is houdt commissie rekening met eerder door zorgverzekering in rekening gebrachte kosten wegens eigen risico.

Datum uitspraak: 11-12-2017
Datum publicatie: 19-12-2017
Referentie: 2017 G14 schadevergoeding

2017 G14 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Val van ladder. Verwijt dat dienstdoende huisarts ten onrechte ambulance naar klager heeft gestuurd gegrond verklaard. Dienstdoende huisarts te star vastgehouden aan ATLS-protocol. Klager is de door hem bij herhaling gewenste mogelijkheid ontnomen om – op eigen risico – met eigen vervoer naar ziekenhuis te gaan. Beslissing over gevorderde schadevergoeding wegens eigen bijdrage kosten ambulancevervoer aangehouden tot na ontvangst nadere stukken.

Datum uitspraak: 11-12-2017
Datum publicatie: 19-12-2017
Referentie: 2017 G14

2017 G19 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

De huisarts heeft klaagster behandeld voor steelwratten onder andere door een aantal aan te stippen met vloeibare stikstof. Klaagster stelt na de ingreep brandvlekken en littekens te ondervinden op de aangestipte plekken. Klaagster is vordert immateriële schade van € 16.500,00, omdat zij verminkt is. De klacht is ongegrond. Het aanstippen van steelwratten met stikstof is een gebruikelijke behandeling is. De vraag is vervolgens of de wijze waarop de behandeling heeft plaatsgevonden correct is. De commissie heeft niet kunnen vaststellen dat dit niet het geval is. De enkele omstandigheid dat brandwonden verschijnen is onvoldoende. Het doel van een dergelijke behandeling is juist het veroorzaken van een brandwondje met een blaar, waarna de blaar geneest en de oneffenheid verdwijnt. Een vaker voorkomende complicatie is dat er een gepigmenteerde vlek ontstaat, zeker bij een iets getinte huid. Juist echter omdat klaagster eerder was behandeld met stikstof met goed resultaat, mocht de huisarts er op vertrouwen dat de behandeling ook deze keer goed zou gaan.

Datum uitspraak: 14-11-2017
Datum publicatie: 17-11-2017
Referentie: 2017 G19

2017 G21 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager is op een vrijdagmorgen naar de praktijk van de huisarts gegaan met hoofdpijnklachten en ook verschilden zijn pupillen in grootte. Er is geen overleg geweest met de huisarts en evenmin is er iets in het dossier vermeld. De huisarts meent dat de triage door de assistente aan de balie niet goed is verlopen. Zij vindt dat er in elk geval overleg met haar had moeten plaatsvinden over de toestand van klager. Een dergelijk overleg in de toestand waarin klager verkeerde, wel gebruikelijk. De commissie is het hiermee eens en verklaard de klacht gegrond. De commissie stelt vast dat de huisarts na hetgeen klager is overkomen maatregelen heeft getroffen om de praktijkvoering te verbeteren. Of deze afdoende zijn is niet aan de commissie om in deze zaak te beoordelen.

Datum uitspraak: 14-11-2017
Datum publicatie: 17-11-2017
Referentie: 2017 G21

2017 G23 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster is de zus van de overleden patiënte. Patiënte werd gezien door de huisarts met twee klachten. Allereerst had ze koorts en voelde ze zich ziek. Daarnaast had ze ook erge pijn aan haar arm. De huisarts heeft haar onderzocht en geconcludeerd dat er sprake was van een virale bovenste luchtweg infectie en een slijmbeursontsteking. De huisarts heeft paracetamol voorgeschreven en het advies gegeven terug te komen indien er na 1-2 weken geen verbetering optrad. Een dag later is patiënte overleden aan een bloedvergiftiging. De klacht is ongegrond. Hoewel het een uiterst treurig beloop kent kan de huisarts in het doen van onderzoek en zijn op basis daarvan gestelde diagnoses geen verwijt worden gemaakt

Datum uitspraak: 14-11-2017
Datum publicatie: 17-11-2017
Referentie: 2017 G23

2017 G5 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klager vindt dat er sprake is van nalatigheid door hem na een ongeval met zijn scootmobiel niet te onderzoeken, als gevolg waarvan sprake van het missen van een ruptuur. De commissie stelt vast dat klager en verweerder verschillende momenten noemen waarop het ongeluk met de scootmobiel en de consulten daarna zouden hebben plaatsgevonden. Nu de lezingen van klager en verweerder verschillen en er voor de geschillencommissie geen aanleiding is om het standpunt van de een overtuigender of geloofwaardiger te achten dan van de ander of aan de ene lezing meer waarde te hechten dan aan de andere, kan door de geschillencommissie niet met zekerheid worden vastgesteld wanneer de ruptuur is ontstaan en dat verweerder vervolgens nalatig is geweest bij de behandeling daarvan. De commissie verklaart de klacht van klager ongegrond. De gevorderde schadevergoeding wordt daarom afgewezen.

Datum uitspraak: 12-10-2017
Datum publicatie: 16-10-2017
Referentie: 2017 G5

2017 G13 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klacht dat de huisarts pijnklachten op de borst onvoldoende adequaat heeft behandeld: slechts verwijzing naar psycholoog en fysiotherapeut en geen grondig onderzoek naar hartklachten. Evenmin voldoende contact met patiënt onderhouden. Klacht gegrond: NHG-protocol en aanhoudende klachten in de borststreek hadden reden moeten geven voor meer cardiaal onderzoek. Huisarts had na opname in het ziekenhuis contact met klaagster moeten opnemen, ook i.v.m. haar uitschrijving uit de praktijk.

Datum uitspraak: 13-09-2017
Datum publicatie: 04-10-2017
Referentie: 2017 G13

2017 G8 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster verzocht om doorverwijzing naar handkliniek. Klacht 1 dat huisarts onvoldoende eigen onderzoek had uitgevoerd afgewezen: toereikende diagnose. Klacht 2 stelt dat de verwijsbrief van de huisarts kwetsend is, irrelevante informatie bevat en een inbreuk op haar privacy maakt. Klacht afgewezen: de informatie in de brief is feitelijk en functioneel. Klaagster kon zelf beslissen de brief te gebruiken.

Datum uitspraak: 13-09-2017
Datum publicatie: 04-10-2017
Referentie: 2017 G8

2017 G1 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klacht over ontoereikende behandeling anaal fissuur dochter. Behandeling conform de geldende richtlijn uitgevoerd; arts waakte terecht voor overbehandeling. Gegevens buitenlands onderzoek onvoldoende relevant. Terechte facturering dubbel consult. Klacht ongegrond; schadevergoeding afgewezen.

Datum uitspraak: 13-09-2017
Datum publicatie: 04-10-2017
Referentie: 2017 G1

2017 G7 Uitspraak geschillencommissie Huisartsenzorg

Klaagster is van mening dat er bij haar sprake is van irreversible tardieve dyskinesie als gevolg van langdurig gebruik van Risperdal. Klaagster verwijt verweerster dat zij niet actief heeft opgetreden bij het gebruik, niet alert is geweest op diverse klachten die zij in de loop der jaren heeft gehad en die het gevolg zouden kunnen zijn van het gebruik van Risperdal en haar niet heeft verwezen naar bijvoorbeeld een psychiater. De klacht is gegrond. Alleen het voorschrijven van medicatie, zonder klaagster te begeleiden in het oplossen van de onderliggende oorzaken is naar het oordeel van de commissie onvoldoende zorgvuldig. Indien verweerster in 2005 klaagster voornemens was korte tijd Risperdal voor te schrijven, is het niet direct opstarten van een tweede (GGZ) traject verdedigbaar. De commissie kan op basis van haar voorliggende gegevens niet beoordelen of het voorschrijven in 2006 onterecht was. Toen echter bleek dat er sprake zou gaan zijn van langdurig gebruik, had verweerster naar het oordeel van de commissie in elk geval op dat moment wel een tweede traject naast het enkel voorschrijven van medicatie moeten opstarten. Door daartoe niet over te gaan er geen sprake is geweest van een adequaat opvolgbeleid. De gevorderde schadevergoeding wordt afgewezen. Onvoldoende is komen vast te staan dat een actiever beleid van verweerster geleid zou hebben tot eerder stoppen met het gebruik van Risperdal. Nu ook niet vast staat dat die klachten er niet zouden zijn geweest bij een eerder stoppen van het gebruik, is er een onvoldoende causaal verband tussen de gegrond verklaarde klacht en de gevorderde schade

Datum uitspraak: 11-09-2017
Datum publicatie: 04-10-2017
Referentie: 2017 G7